Soms gebeurt het dat we in een monstrueuze verkeersopstopping staan en dat we ons als hamsters in de kronkels van een blikken slang voelen: iedereen in de auto slaat op z'n claxon, scheldt tegen het oude vrouwtje dat de tijd voor het groene stoplicht heeft verdaan, tegen de bestuurder naast ons die ons aan de kant drukt, tegen de bus die dwars over de weg staat, tegen de hele wereld.
We staan op de kruising van de via di Portonaccio, via Prenestina en via dell' Acqua Bullicante, in een kluwen van staalplaten en verwensingen, en een ogenblik lang denken we dat het ons nooit zal lukken om hieraan te ontsnappen, dat we de rest van ons leven zullen doorbrengen met het beledigen van onze naaste en het verwensen van de stad. En dan valt onze blik plotseling op een hoekje vol bloemen: onder het mozaïek van een kleine madonna staan veel bossen rozen en anjers, lelies en margrieten. En aan de muur, aan de linker- en rechterkant, voorafgaand aan de reclameposters die ons nutteloze producten aanprijzen, wordt honderden keren het woord "grazie", dank u, herhaald. Het is een van die hoeken waar ex-voto's van simpele mensen worden opgehangen, mensen die in angstaanjagende problemen terecht zijn gekomen, die op een dag aan de madonna, aan het leven, aan het lot hebben gevraagd om genadig hun ongeluk te bezien. En daarna, omdat de dingen onvoorspelbaar zijn, omdat hoop nieuwe energie geeft, door puur geluk of door een echt wonder, is de zieke zoon genezen, heeft de onvruchtbare vrouw een kindje gekregen, kreeg men eindelijk werk, heeft een liefde die doods leek een nieuw leven gekregen. En daarom kwam diegene die zich wendde tot deze straat-Maria terug om haar te bedanken. Sommige bordjes stammen uit de tijd van vlak na de oorlog en andere zijn zeer recent opgehangen, een aantal heeft de vorm van een hart, sommige zijn van marmer en andere van steen; in de muur is een simpele baksteen gevoegd die zijn dankwoord ingekrast met een spijker draagt, er hangen handboeien van een gevangene, een houten spaander beschreven door een immigrant, er is een bordje waarop staat geschreven: "Toen elke hoop verloren was, is door een wonderbaarlijke lotsbeschikking ..." en de regen heeft de rest weggewassen, maar eronder staan nog de emblemen van Atac, van Acotral en Codacons: wie weet wat er is gebeurd, welke angstige geschiedenis ten einde kwam met die blijk van dankbaarheid. Zoveel verhalen waarvan we niets zullen weten. Maar die muur vol dankbaarheid draagt voor even onze gedachten, brengt ons naar huis.
Marco Lodoli 2005.
Gevonden in 2015.
'Isole. Guida vagabonda di Roma' werd geschreven door Marco Lodoli (2005). De isole, eilandjes, zijn verborgen plekjes in de Eeuwige Stad. Geregeld vertaal ik een isola uit het Italiaans, opdat ook Nederlandse vagebonden er in Rome naar kunnen zoeken. Vul rechtsonder bij 'follow by e-mail' je e-mailadres in of volg @isoleromane op twitter en blijf op de hoogte van het nieuwste 'eiland'. Hoe het ooit begon? http://isoleromane.blogspot.nl/2013/01/isole-guida-vagabonda-di-roma.html
zondag 12 maart 2017
70. Sant' Eustachio (p. 76-77)
Wandelend door Rome doe je er goed aan om af en toe een blik omhoog te werpen, zoals men in het azuurblauw van een meertje een hoopvol hengeltje uitwerpt: je kunt dan een mooi marmeren engeltje hoog op een daklijst vangen, of een gedurfd uiteinde van een koepel, of gewoon het sympathieke gezicht van een mevrouw die bij het raam staat. Een groet en weg, want deze bijzondere vorm van vissen kan nieuwe verrassingen opleveren. Na het drinken van de beroemdste koffie van de stad in de bar aan piazza Sant' Eustachio, vliegt het dobbertje van onze blik bijvoorbeeld omhoog om tot onze verbazing te blijven hangen in het gewei van een enorme hertenkop die de kerk tegenover de bar domineert. Wat doet die grote kop van dat beest bovenop een barokke gevel? En waarom heeft het midden in zijn gewei een kruis? Misschien vormt het een symbool van de symbiose van het Christendom en een heidens geloof, van de rechte en goddelijke orde van het kruis en de vertakte en bosachtige wanorde van het gewei?
Achter dat beeld zit het verhaal van Eustachius, commandant in het leger van Trajanus. Op een dag, toen hij tussen de bomen wandelde, verscheen er een groot hert voor hem, precies zoals voor Robert de Niro in die beroemde film. Eustachius was ook een geoefend jager, en daarom spande hij zijn boog om het beest te doden, maar plotseling verscheen er in het gewei van het hert een lichtgevend kruis: er klonk geen verheven stem om hem te bekeren tot God, er was geen cherubijn of een heilige, maar een eenvoudig dier, een zachtaardig wezen uit het bos. Eustachius begreep de boodschap en werd christen, en met hem ook zijn vrouw en twee kinderen. De legende vertelt dat hij in ballingschap werd gestuurd en daarna, na een paar jaar, werd teruggeroepen om te vechten in een oorlog. Hij gedroeg zich moedig, maar hij wilde niet knielen voor de leugenachtige goden van de Romeinse staat. Hierom werden hij en zijn familieleden als maaltje voor de wilde dieren gegooid: maar de tijgers en leeuwen raakten hen niet aan, sterker nog, ze gingen als liefdevolle Romeinse katten voor hen zitten. Dus gooide de woedende keizer Eustachius in een gloeiend hete bronzen stier. Het belangrijkste altaarstuk in de kerk, een werk van Nicola Salvi, beschrijft de scène van zijn martelaarsdood. Er was een namaakbeest nodig om Eustachius te doden, omdat de echte dieren zijn vrienden waren. Het zijn altijd onze vrienden, de dieren.
Marco Lodoli 2005.
Gevonden in
Achter dat beeld zit het verhaal van Eustachius, commandant in het leger van Trajanus. Op een dag, toen hij tussen de bomen wandelde, verscheen er een groot hert voor hem, precies zoals voor Robert de Niro in die beroemde film. Eustachius was ook een geoefend jager, en daarom spande hij zijn boog om het beest te doden, maar plotseling verscheen er in het gewei van het hert een lichtgevend kruis: er klonk geen verheven stem om hem te bekeren tot God, er was geen cherubijn of een heilige, maar een eenvoudig dier, een zachtaardig wezen uit het bos. Eustachius begreep de boodschap en werd christen, en met hem ook zijn vrouw en twee kinderen. De legende vertelt dat hij in ballingschap werd gestuurd en daarna, na een paar jaar, werd teruggeroepen om te vechten in een oorlog. Hij gedroeg zich moedig, maar hij wilde niet knielen voor de leugenachtige goden van de Romeinse staat. Hierom werden hij en zijn familieleden als maaltje voor de wilde dieren gegooid: maar de tijgers en leeuwen raakten hen niet aan, sterker nog, ze gingen als liefdevolle Romeinse katten voor hen zitten. Dus gooide de woedende keizer Eustachius in een gloeiend hete bronzen stier. Het belangrijkste altaarstuk in de kerk, een werk van Nicola Salvi, beschrijft de scène van zijn martelaarsdood. Er was een namaakbeest nodig om Eustachius te doden, omdat de echte dieren zijn vrienden waren. Het zijn altijd onze vrienden, de dieren.
Marco Lodoli 2005.
Gevonden in
69. Het Nationale Pastamuseum (p.75-76)
Als een man is wat hij eet, dan worden Italianen gemaakt uit pasta met tomatensaus: en misschien wantrouwen de andere Europeanen ons daarom wel, omdat we moeilijk om een vork zijn te winden, we overal tussendoor glippen en makkelijk vlekken geven, als we te veel denken verpappen en verweken we, gaan we te snel, dan blijven we hard en onaangenaam. Om onze aard beter te begrijpen is een bezoek aan het Museo Nazionale delle Paste Alimentari de moeite waard, het nationale pastamuseum op piazza Scanderberg (de entree is overigens veel te duur). Elk geheim van pasta wordt uitgelicht, de dagelijkse bezigheid die we wegwerken met vier vraatzuchtige vorken wordt in elk intiem detail geanalyseerd: er zijn tabellen die met grote zorgvuldigheid de verschillende stappen in het productieproces illustreren, van het malen va het meel tot het mengen ervan, van het persen in een vorm tot het drogen, en de machines die voor dit werk worden gebruikt worden in de zalen getoond, moderne en antieke exemplaren. Andere schema's leggen de voedingswaarden uit, de proteïnen, de vetten, de koolhydraten en de vitamines die we onbewust opschrokken, afgeleid door de goede smaak van kruiden of door de tv die aanstaat. Aan de muren vallen de 19e eeuwse platen op waarop vele Pulcinella's bezig zijn om met macaroni hun honger te stollen, en zien we honderd reclames van Barilla en Agnesi die ons verleiden om het er stevig van te nemen, want pasta is zon een vreugde, is niet duur en geeft troost tegen al het kwaad in de wereld. Leopardi had, eerlijk gezegd, wat twijfels, en in zijn Nuovi Credenti schreef hij: "Napels bewapent zich ter verdediging | van haar macaroni, want het valt haar zwaar, het plaatsen van de dood | voor de macaroni. En ze kan niet begrijpen, aangezien ze zo lekker zijn, waarom dorpen, landen, provincies en naties, niet gelukkig worden door hun kwaliteit." Men stopt zich er vol mee om maar niet te denken aan de dood, en men verbaast zich erover dat een bord spaghetti niet elke plek vrolijk maakt. Een zekere Gennaro Quaranta gaf hierop als volgt antwoord: "Maar als je van macaroni meer had gehouden | dan van boeken, die zwarte gal veroorzaken, | dan had je geen zware kwalen hoeven lijden. | Levend tussen goedlachse dikkerds | word je misschien wel, blozend en vrolijk, | 90 of honderd jaar oud." In het museum kun je deze gedichten lezen en erover nadenken in alle rust, maar niet te lang, want het is inmiddels tijd voor de lunch.
Marco Lodoli 2005.
Gevonden in 2009.
Marco Lodoli 2005.
Gevonden in 2009.
68. Het mozaïek voor het Stadio Olimpico (p. 74-75)
De mensen die voetbal gaan kijken spreken vaak met vrienden af "bij de bal", en specificeren met een glimlach: "Niet die kapotte voor het Ministerie van Buitenlandse Zaken, maar die gave voor het Olympisch stadion", want het kan gebeuren elkaar mis te lopen tussen de diverse testikels. Op het plein van de onbeschadigde bal is een zee van mensen en kleuren te vinden, wit-blauwen of geel-roden volgens het wedstrijdschema van de zondag, van verkopers van belegde broodjes en Borghetti-koffie, van zwarthandelaren met toegangskaartjes en oproerpolitie. Ze wachten allemaal om de tribunes op te gaan te beklimmen of om een of ander zaakje af te handelen.
Ik geloof dat bijna niemand let op de bestrating van het plein, de enige die er zijn oog op laat vallen is degene die zijn peuk met de hak van zijn schoen uittrapt. Dat grote mozaïek daarentegen, het grootste van heel Rome, verdient aandacht en het is de moeite waard om er overheen te wandelen op een werkdag of een zondagochtend. Het is een perfect overzicht van politieke en van fascistische esthetiek, vol heldendom en hoogdravende klassieke oudheid. Miljoenen minuscule zwarte en witte steentjes vormen verontrustende slogans, als "Duce, onze jeugd wijden wij aan u" of de bekendste "Veel vijanden, veel eer", en vormen tientallen strijd- en sporttaferelen. Op de grond zie je daadwerkelijk de vrachtauto met een knokploeg die aan het zwaaien is met een vlag met het fascistische opschrift "Het kan me niet schelen", en hier en daar verspreid zie je veel leeuwen en veel gazellen, die de veroveringen in Afrika door het Rijk in herinnering moeten roepen. Maar de weergave van de verschillende sporten is werkelijk mooi, de lichamen van de atleten hebben een plasticiteit die doen denken aan de stijl van Mario Sironi, ze zijn simpel en krachtig. Als we rond de bal lopen ontdekken we op het mozaïektapijt rustende speerwerpers en boksers, duikers en zwemmers, schermers en worstelaars, hordelopers en gewichtheffers, en zelfs hockeyers en jockey's op de rug van indrukwekkende paarden. Het zijn figuren die zijn gerealiseerd volgens de schetsen van belangrijke kunstenaars van die tijd, Canevari, Rosso, Severini. Helaas beginnen ze af te brokkelen, want in de middag wordt het plein vaak een skatebaan en de steentjes schieten weg onder de wieltjes. En vervolgens valt er regen op, blaast de wind erover, brandt de zomerzon erop, en zo verwoest de tijd die vervliegt zelfs de meest atletische lichamen.
Marco Lodoli 2005.
Gevonden in 2010.
Ik geloof dat bijna niemand let op de bestrating van het plein, de enige die er zijn oog op laat vallen is degene die zijn peuk met de hak van zijn schoen uittrapt. Dat grote mozaïek daarentegen, het grootste van heel Rome, verdient aandacht en het is de moeite waard om er overheen te wandelen op een werkdag of een zondagochtend. Het is een perfect overzicht van politieke en van fascistische esthetiek, vol heldendom en hoogdravende klassieke oudheid. Miljoenen minuscule zwarte en witte steentjes vormen verontrustende slogans, als "Duce, onze jeugd wijden wij aan u" of de bekendste "Veel vijanden, veel eer", en vormen tientallen strijd- en sporttaferelen. Op de grond zie je daadwerkelijk de vrachtauto met een knokploeg die aan het zwaaien is met een vlag met het fascistische opschrift "Het kan me niet schelen", en hier en daar verspreid zie je veel leeuwen en veel gazellen, die de veroveringen in Afrika door het Rijk in herinnering moeten roepen. Maar de weergave van de verschillende sporten is werkelijk mooi, de lichamen van de atleten hebben een plasticiteit die doen denken aan de stijl van Mario Sironi, ze zijn simpel en krachtig. Als we rond de bal lopen ontdekken we op het mozaïektapijt rustende speerwerpers en boksers, duikers en zwemmers, schermers en worstelaars, hordelopers en gewichtheffers, en zelfs hockeyers en jockey's op de rug van indrukwekkende paarden. Het zijn figuren die zijn gerealiseerd volgens de schetsen van belangrijke kunstenaars van die tijd, Canevari, Rosso, Severini. Helaas beginnen ze af te brokkelen, want in de middag wordt het plein vaak een skatebaan en de steentjes schieten weg onder de wieltjes. En vervolgens valt er regen op, blaast de wind erover, brandt de zomerzon erop, en zo verwoest de tijd die vervliegt zelfs de meest atletische lichamen.
Marco Lodoli 2005.
Gevonden in 2010.
zondag 29 januari 2017
67. Een graffito in Via Alfredo Durante (p. 73-74)
Ik heb op alle mogelijke manieren geprobeerd om ze te appreciëren, of ten minste ze te begrijpen, die afbeeldingen die jongeren tekenen met hun spuitbussen op de muren van Rome. Ik heb me zelfs de boel laten uitleggen door een zeer jonge, slordige vriend die 's nachts zijn creativiteit ontketent door treinwagons en grijze delen van de stad te kleuren, en hij heeft me vergezeld bij een bezoek aan de sixtijnse kapellen van onze tijd, kilometers letters die in elkaar verstrikt zijn, en die samen figuren en zinnen vormen die voor mij totaal niet te ontcijferen zijn. Ik voelde wel aan dat er verschillende trends zijn, harde twisten tussen tegenovergestelde scholen van writers, meesters en navolgers, kladderende gasten en ware genieën van urbane kunst. Ik heb er onderzoek naar gedaan, ik heb instemmend geknikt, maar ik moet toegeven dat ik nog altijd langs die hysterische verfspatten of die ineengestrengelde reuzeletters loop zonder iets anders te voelen dan een lichte vervelend gevoel.
Maar op een nacht zag ik, terwijl ik afdaalde langs Via Durante, een grote weg die loopt van de Trionfale naar de Balduina, een jongen die een profiel op een muur schilderde. Hij vertelde me dat het het portret was van een jongen van zijn school, een paar maanden eerder gedood door een fatale hersenvliesontsteking. Met het verstrijken van de tijd hebben rond dat droefgeestige profiel dat de waanzin van de wereld vanuit het stille dodenrijk leek te observeren andere graffitivrienden iets willen achterlaten, een teken, een herinnering, een beeltenis, en zo werd die muur in de periferie een kleurboek van gedachten en fantasieën van iedereen die gesteld was op Giacomo C., gestorven op z'n 18e. Een bordje vertelt, in iets te formeel taalgebruik, dat de murales door zijn vrienden werden gerealiseerd met de vriendelijke toestemming van de Acea. Er is een glimlachende marionet, met een sjaal om zijn nek tussen de toppen van de bergen, en een opschrift dat zegt: "Jij boven elke top, wij ten prooi van verslagenheid", en een grote Felix de kat die de zin "Young, too young" draagt. Te jong om te sterven, te jong om vergeten te worden. "Ach! op de overledenen | groeit geen bloem, waar hij door menslievend | lofprijzingen niet wordt geëerd en door een minnaar wordt beweend," schreef Foscolo, en de jongeren hebben dat goed begrepen, ook al vinden ze zijn I Sepolchri niet mooi.
Marco Lodoli 2005.
Nog niet gevonden.
Maar op een nacht zag ik, terwijl ik afdaalde langs Via Durante, een grote weg die loopt van de Trionfale naar de Balduina, een jongen die een profiel op een muur schilderde. Hij vertelde me dat het het portret was van een jongen van zijn school, een paar maanden eerder gedood door een fatale hersenvliesontsteking. Met het verstrijken van de tijd hebben rond dat droefgeestige profiel dat de waanzin van de wereld vanuit het stille dodenrijk leek te observeren andere graffitivrienden iets willen achterlaten, een teken, een herinnering, een beeltenis, en zo werd die muur in de periferie een kleurboek van gedachten en fantasieën van iedereen die gesteld was op Giacomo C., gestorven op z'n 18e. Een bordje vertelt, in iets te formeel taalgebruik, dat de murales door zijn vrienden werden gerealiseerd met de vriendelijke toestemming van de Acea. Er is een glimlachende marionet, met een sjaal om zijn nek tussen de toppen van de bergen, en een opschrift dat zegt: "Jij boven elke top, wij ten prooi van verslagenheid", en een grote Felix de kat die de zin "Young, too young" draagt. Te jong om te sterven, te jong om vergeten te worden. "Ach! op de overledenen | groeit geen bloem, waar hij door menslievend | lofprijzingen niet wordt geëerd en door een minnaar wordt beweend," schreef Foscolo, en de jongeren hebben dat goed begrepen, ook al vinden ze zijn I Sepolchri niet mooi.
Marco Lodoli 2005.
Nog niet gevonden.
zaterdag 28 januari 2017
66. Het Mas-warenhuis (p. 72-73)
Prettig en onmogelijk was de markt op Piazza Vittorio, met zijn oriëntaalse sfeer, zoals we een paar jaar geleden nog zongen. Door zeer redelijke wetgeving omtrent hygiëne moest deze markt ophoepelen, weg van de stoepen, en werd de markt een verstandiger systeem toegewezen, binnen in een gebouw dat is toegerust om toonbanken en koelkasten te verwelkomen. Bij ons blijft een wat weemoedig gevoel hangen voor die heksenketel van goederen, geuren, kleuren en geschreeuw die het plein vulden, voor de kletspraat en het geduw dat werd gewisseld in die nauwe en chaotische gangen. Op dit moment dat zo essentieel is voor de wereldgeschiedenis is er grote nood aan een plek waar we mensen van diverse komaf kunnen ontmoeten, om achterdocht en angst te overwinnen. We kunnen samen koffie drinken in de bar Roma Città Aperta in de Via Principe Amedeo, een eervol gebaar van vertrouwen en beschaving, maar het is een ding dat maar een minuut duurt en meteen bevinden we ons weer midden op straat, alleen met onze onrustige gedachten. En dus dirigeren we ons richting het grote Mas-warenhuis, in de Via dello Statuto, een soort van VN voor arme drommels. Buiten het enorme gebouw uit de regeerperiode van Umberto I hangen de vlaggen van verscheidene staten - de Braziliaanse wereldbol, Arabische halve manen, de sterren van de Europese Unie - opgebold door de wind en een beetje gescheurd. Binnen is de hele wereld te koop voor negen euro negenennegentig, bergen t-shirts en overhemden, badjassen en bergschoenen, dekbedden en joggingspakken, en ook spelletjes en horloges, schilderijen en tapijten, theepotten en ondergoed, vazen en lampen, alles voor bijna irreële prijzen. Voelend en de prijs afwegend tussen alle drukte bij de banken draaien de nieuwe armen van onze wereld rond, forse Nigeriaanse vrouwen, kleine Chinese mannen, Arabieren met kroeshaar, vrouwen in chador en olijfbruine mannen met snorren, kinderen in alle kleuren, maar ook veel Italianen met weinig geld in de beurs. Het gebeurt dat je met een aarzelende vreemdeling vluchtige afwegingen maakt over een geruit overhemd en dat vervolgens, wie weet hoe, het gesprek zich verruimt, dat je praat over Rome en de Paus, over voetbal en oorlog, over het leven dat overal moeilijk is maar op bepaalde plekken nog moeilijker. Uiteindelijk kopen we het hemd, het kost immers zo weinig, maar het idee dat we allemaal mensen onder dezelfde hemel zijn, dat idee wordt ons cadeau gegeven en is heel waardevol.
Marco Lodoli 2005.
Nog niet gevonden.
Marco Lodoli 2005.
Nog niet gevonden.
65. Santa Maria sopra Minerva (p. 71-72)
Door een mysterieus synchronisme treden op het juiste moment enkele beeltenissen uit hun schaduwen onze gedachten tegemoet, worden er één mee en verhelderen die. Ze hielden zich eeuwenlang verborgen in een donkere hoek, wachtend op de geschikte situatie om zich aan te bieden, en vanuit het niets hebben we ze ineens voor ons, perfect overeenstemmend met onze problemen die we op dat precieze moment ervaren: of misschien, wie weet, zoals Jung zei, zijn wij het juist die onbewust naar ze op zoek gaan.
Ik heb de basiliek van de Santa Maria sopra Minerva vaak bezocht en ik geloofde dat ik de buitengewone kunstwerken dat de kerk bevat goed kende. Er zijn prachtige fresco's van Filippino Lippi in de Carafa-kapel, een beeld van Christus dat het kruis draagt, een Christus met een te kort been, een werk van Michelangelo die wat minder dan gewoonlijk geïnspireerd was, en verder is er de tombe van Beato Angelico dat op een enorme postzegel van steen lijkt en een Annunciatie va Antoniazzo Romano en vele andere werken die onze ogen stelen.
Maar vandaag nodig ik jullie uit om naar de achterste kapel aan de linkerkant te gaan en aandachtig het grafmonument van een zekere Giovanni Arberini te bekijken.
Het is een werk uit de 15e eeuw, misschien van Mino da Fiesole, gebouwd rondom een klassieke sarcofaag uit de 5e eeuw voor Chr. Kijk goed naar het bas-reliëf op de sarcofaag, luister naar datgene wat het nu zegt, tegen ons, mensen uit de 21e eeuw op de rand van een wereldcrisis. Hercules is bezig met een van zijn twaalf werken, hij is in gevecht met de leeuw van Nemea, hij heeft hem bij z'n keel vastgepakt en staat op het punt hem te wurgen: alle spieren van de held zijn aangespannen door de krachtsinspanning, en de leeuw spartelt, probeert te ontsnappen aan de dodelijke wurggreep, hij tilt een poot op om Hercules op zijn hoofd te treffen, opent zijn bek alsof hij voor het laatst probeert te ademen, hij lijdt aan de laatste stuiptrekkingen. In dat ontzettend zeer oude bas-reliëf zag ik een herculeïsch Amerika in gevecht met de Afghaanse leeuw, het Westen en het Oosten die zich vastklemmen op een angstaanjagende manier. Achter hen is het landschap onopgesmukt, nog net een krom boompje te midden van niets. Hercules en de leeuw strijden om elkaar af te maken, en ze weten niet dat ze een afbeelding zijn op de zijkant van een doodskist, een monstrueuze inspanning die enkel dient als decoratie op de flanken van de dood.
Marco Lodoli 2005.
Gevonden in 2008.
Ik heb de basiliek van de Santa Maria sopra Minerva vaak bezocht en ik geloofde dat ik de buitengewone kunstwerken dat de kerk bevat goed kende. Er zijn prachtige fresco's van Filippino Lippi in de Carafa-kapel, een beeld van Christus dat het kruis draagt, een Christus met een te kort been, een werk van Michelangelo die wat minder dan gewoonlijk geïnspireerd was, en verder is er de tombe van Beato Angelico dat op een enorme postzegel van steen lijkt en een Annunciatie va Antoniazzo Romano en vele andere werken die onze ogen stelen.
Maar vandaag nodig ik jullie uit om naar de achterste kapel aan de linkerkant te gaan en aandachtig het grafmonument van een zekere Giovanni Arberini te bekijken.
Het is een werk uit de 15e eeuw, misschien van Mino da Fiesole, gebouwd rondom een klassieke sarcofaag uit de 5e eeuw voor Chr. Kijk goed naar het bas-reliëf op de sarcofaag, luister naar datgene wat het nu zegt, tegen ons, mensen uit de 21e eeuw op de rand van een wereldcrisis. Hercules is bezig met een van zijn twaalf werken, hij is in gevecht met de leeuw van Nemea, hij heeft hem bij z'n keel vastgepakt en staat op het punt hem te wurgen: alle spieren van de held zijn aangespannen door de krachtsinspanning, en de leeuw spartelt, probeert te ontsnappen aan de dodelijke wurggreep, hij tilt een poot op om Hercules op zijn hoofd te treffen, opent zijn bek alsof hij voor het laatst probeert te ademen, hij lijdt aan de laatste stuiptrekkingen. In dat ontzettend zeer oude bas-reliëf zag ik een herculeïsch Amerika in gevecht met de Afghaanse leeuw, het Westen en het Oosten die zich vastklemmen op een angstaanjagende manier. Achter hen is het landschap onopgesmukt, nog net een krom boompje te midden van niets. Hercules en de leeuw strijden om elkaar af te maken, en ze weten niet dat ze een afbeelding zijn op de zijkant van een doodskist, een monstrueuze inspanning die enkel dient als decoratie op de flanken van de dood.
Marco Lodoli 2005.
Gevonden in 2008.
dinsdag 24 januari 2017
64. De crypte van de Santa Maria della Concezione (p. 69-70)
Ik heb de Via Veneto altijd gezien als een kabbelend, omhoog stromend riviertje: zijn bron is het kleine bijenfonteintje op de hoek van Piazza Barberini, zijn monding is de delta van de Porta Pinciana, daar waar de straat zich splitst tussen de bogen. Bijna aan het begin, onder de platanen die op de oevers zijn gegroeid, staat het heel donkere kerkje van de Onbevlekte Ontvangenis, beter bekend als de kerk van de kapucijnen. De crypte daar is een plek dat de huid kippenvel bezorgt bij zelfs de meest nuchtere en opscheppende Romein, ook bij de jongeman die gewend is te grinniken in de tunnels vol horror in een of ander pretpark of kijkend naar de meest bloedstollende films, die films waarin lijken wankelend uit hun tombes opstaan en dwingend op de deur van een huis kloppen. Hier valt weinig te lachen, om zich te beschermen tegen afgrijzen is het gewoonlijke aanraken van de edele delen niet genoeg, zo typisch bijvoorbeeld bij wie op de Via Guglia voorbijrijdt aan de kerk van Orazione en Morte, daar waar, uitgehakt in marmer, in een aardig macabere scène, een skelet waarschuwt "Odie mihi, cras tibi", wat zoiets wil zeggen als 'denk eraan dat ik vandaag doodging, maar dat jij morgen aan de beurt bent.
Om het bezoek aan de crypte van de kapucijnen helemaal vol te houden heb je stalen zenuwen nodig. De botten van honderden doden zijn volgens een kunstzinnige rangschikking aangebracht wat nog meer angst oproept: er zijn sierlijsten gemaakt van wervels, rozetten van scheen- en dijbenen, versieringen waarbij onderkaken en bekkens zich afwisselen, en in het midden van al die ornamenten van beenderen verschijnen skeletten die nog gekleed zijn in franciscaner pijen van vele monniken die eeuwen en eeuwen geleden zijn gestorven. Sommigen ondersteunen in hun handen een schedel, anderen liggen languit, anderen lijken te lopen. Je krijgt de neiging om te beweren dat het allemaal nep is, dat het een special effect is uit Cinecittà, een carnavalsgrap. Helaas, het is toch allemaal echt. Dus gooien we ons zelf naar buiten, om met elke vezel in ons lijf het schitterende licht van de Via Veneto op te zuigen, om zelfs te genieten van het lawaaierige verkeer. Onze dolce vita schudt op zijn grondvesten, en het maakt daar buiten niet meer uit dat er geen Amerikaanse actrices en papparazzi meer rondlopen, het is nu even genoeg om in de zon te wandelen, te neuriën en even halt te houden in een van die mooie café's om een cappuccino met veel schuim te drinken.
Marco Lodoli 2005.
Gevonden in 2011.
Om het bezoek aan de crypte van de kapucijnen helemaal vol te houden heb je stalen zenuwen nodig. De botten van honderden doden zijn volgens een kunstzinnige rangschikking aangebracht wat nog meer angst oproept: er zijn sierlijsten gemaakt van wervels, rozetten van scheen- en dijbenen, versieringen waarbij onderkaken en bekkens zich afwisselen, en in het midden van al die ornamenten van beenderen verschijnen skeletten die nog gekleed zijn in franciscaner pijen van vele monniken die eeuwen en eeuwen geleden zijn gestorven. Sommigen ondersteunen in hun handen een schedel, anderen liggen languit, anderen lijken te lopen. Je krijgt de neiging om te beweren dat het allemaal nep is, dat het een special effect is uit Cinecittà, een carnavalsgrap. Helaas, het is toch allemaal echt. Dus gooien we ons zelf naar buiten, om met elke vezel in ons lijf het schitterende licht van de Via Veneto op te zuigen, om zelfs te genieten van het lawaaierige verkeer. Onze dolce vita schudt op zijn grondvesten, en het maakt daar buiten niet meer uit dat er geen Amerikaanse actrices en papparazzi meer rondlopen, het is nu even genoeg om in de zon te wandelen, te neuriën en even halt te houden in een van die mooie café's om een cappuccino met veel schuim te drinken.
Marco Lodoli 2005.
Gevonden in 2011.
63. De prostituees van Tor di Quinto (p. 68-69)
We waren 14, vlassnorretje, kenden voor het eerst liefdesverdriet door een vriendinnetje dat vreemdging en onze scooters waren nieuw en bij het vallen van de avond deed onrust ons menigmaal rondzwerven. Wegrijdend via de straten die rond Corso Trieste liggen opgekruld, namen we de Olimpica die wij zagen als een snelweg waar de auto's voorbij schoten richting het onbekende, de oneindige kilometers duisternis onderbroken door een stippellijn van lantaarns en aanduidingen van benzinestations. Voor de tunnel gingen we rechts, richting de verdoemenis, richting de hel. Verderop bij de afdaling begon Tor di Quinto. Alleen al bij de naam liepen de rillingen over onze rug en in onze gedachten, het werd snel uitgesproken, alsof het de naam van een willekeurige straat was, waar het trainingsveld van Lazio Roma lag, en kijk, verder niets bijzonders. In werkelijkheid gingen we daar naar beneden om met koortsig brandende ogen te kijken naar de priesteressen van de zonde, de obscene en angstaanjagende seksvestalinnen, de onnoembare hoeren. Ze waren in niets gelijk aan de escorts van vandaag, arme Slavische meisjes, magere en zachte blondines, die het hart ineen doen krimpen: nee, zij waren immens en ongemanierd, ze lachten en schreeuwden rond kampvuren die vanuit het binnenste van de aarde omhoog leken te komen, wanordelijke vlammen die aards plezier en goddelijke straf beloofden. De vrouwen bewogen tussen het duister en de rode gloed van dat vuur dat continu werd gevoed, ze droegen absurde avondkleding, ze zongen volksliedjes, ze waren prachtig en eng tegelijkertijd.
Vandaag de dag is de seksmarkt verplaatst naar elders en heeft andere hoofdrolspelers en afgeraffelde en wredere rituelen gekregen, Tor di Quinto is verworden tot een anonieme doorgaande weg. Toch werken er nog steeds twee of drie prostituees onder die platanen: ze zijn zo oud hebben zo'n zwakke gezondheid dat ze sympathie oproepen. Eentje wordt altijd omringd door grote zwerfhonden, ze lijkt door te gaan met strijden om haar beesten te kunnen onderhouden; de ander lijkt een gepensioneerde schooljuf, heeft een wit gebit en een pagekopje vol blonde haren, ze loopt mank heen en weer als een dier met pijn. Ze hebben hun leven gespendeerd aan het verlenen van enkele momenten van geluk aan eenzame mannen. Er zou ook een wet-Bacchelli voor hen moeten zijn, een klein pensioen dat ze in staat stelt rust te vinden.
Marco Lodoli 2005.
Nog niet gevonden.
Vandaag de dag is de seksmarkt verplaatst naar elders en heeft andere hoofdrolspelers en afgeraffelde en wredere rituelen gekregen, Tor di Quinto is verworden tot een anonieme doorgaande weg. Toch werken er nog steeds twee of drie prostituees onder die platanen: ze zijn zo oud hebben zo'n zwakke gezondheid dat ze sympathie oproepen. Eentje wordt altijd omringd door grote zwerfhonden, ze lijkt door te gaan met strijden om haar beesten te kunnen onderhouden; de ander lijkt een gepensioneerde schooljuf, heeft een wit gebit en een pagekopje vol blonde haren, ze loopt mank heen en weer als een dier met pijn. Ze hebben hun leven gespendeerd aan het verlenen van enkele momenten van geluk aan eenzame mannen. Er zou ook een wet-Bacchelli voor hen moeten zijn, een klein pensioen dat ze in staat stelt rust te vinden.
Marco Lodoli 2005.
Nog niet gevonden.
maandag 23 januari 2017
62. Het grafmonument van Quintus Sulpicius Maximus (p. 67-68)
Van de vele dingen die we op school moeten leren, beklijven er maar een paar in ons geheugen. Ze verdwijnen allemaal, die Napoleontische slagvelden, onbegrijpelijke vierkantsvergelijkingen, ablativi absoluti en hoofdsteden in Afrika, sterrenbeelden en schrijvers uit de 17e eeuw. Maar onuitwisbaar blijft ongetwijfeld de herinnering aan het jongetje van Pascoli, Il Fanciullino. Dat jochie, dat weet men wel, vormt onze dichterlijke kant, "hij praat tegen beesten, tegen bomen, tegen stenen die aan onze zintuigen en onze ratio ontsnappen, hij ontdekt in de dingen scherpzinnige overeenkomsten en vindingrijke verbanden. Hij past de naam voor het grootste toe op het kleinste en andersom; hij wordt klein om te kunnen zien, hij wordt groot om te kunnen bewonderen..." Wanneer we kinderen zijn, komt zijn leven overeen met dat van ons, en daarna blijft zijn stem en zijn blik maar in enkele mensen bewaard, in dichters, ongecompliceerde zielen, in mannen en vrouwen die verbazing en compassie voor het bestaan blijven voelen; in anderen, die er grondig op letten dat ze geen tijd verliezen, in hen is het jongetje voor altijd gestorven.
Maar goed, in onze stad, op de chaotische kruising bij Via Pavia en Via Buoncompagni, precies tegenover Piazza Fiume, kunnen we, aangebracht tegen een duister afgebrokkeld stuk van de Aureliaanse muur, het grafmonument van de jongen zien, misschien het graf van onze onschuld. In een hoge nis staat het beeldje van Quintus Sulpicius Maximus, de jongste Romeinse dichter; hij leefde in de 1e eeuw na Christus en stierf toen hij net 11 jaar oud was. Op het voetstuk van het beeldje beweent men in twee in het Grieks geschreven epigrammen zijn vroegtijdige overlijden en wordt zijn korte carrière in herinnering gebracht: in 94 deed Quintus Sulpicius met een geïmproviseerd lyrisch gedicht mee aan een dichtwedstrijd, en in zijn verzen vertelde hij hoe de onervaren Phaëton de zonnewagen bestuurde en hoe die vlammende waren, na de Aarde bijna te hebben verbrand, in het water van een rivier stortte. Wij staan daar, geperst tussen de auto's die roken en brullen, we kijken naar het jongetje dat zijn poëzie in zijn handen houdt en we voelen van binnen iets van een in de verte nauwelijks hoorbare stem. En plotseling duwt het verkeer ons weer verder.
Marco Lodoli 2005.
Gevonden in 2017.
Maar goed, in onze stad, op de chaotische kruising bij Via Pavia en Via Buoncompagni, precies tegenover Piazza Fiume, kunnen we, aangebracht tegen een duister afgebrokkeld stuk van de Aureliaanse muur, het grafmonument van de jongen zien, misschien het graf van onze onschuld. In een hoge nis staat het beeldje van Quintus Sulpicius Maximus, de jongste Romeinse dichter; hij leefde in de 1e eeuw na Christus en stierf toen hij net 11 jaar oud was. Op het voetstuk van het beeldje beweent men in twee in het Grieks geschreven epigrammen zijn vroegtijdige overlijden en wordt zijn korte carrière in herinnering gebracht: in 94 deed Quintus Sulpicius met een geïmproviseerd lyrisch gedicht mee aan een dichtwedstrijd, en in zijn verzen vertelde hij hoe de onervaren Phaëton de zonnewagen bestuurde en hoe die vlammende waren, na de Aarde bijna te hebben verbrand, in het water van een rivier stortte. Wij staan daar, geperst tussen de auto's die roken en brullen, we kijken naar het jongetje dat zijn poëzie in zijn handen houdt en we voelen van binnen iets van een in de verte nauwelijks hoorbare stem. En plotseling duwt het verkeer ons weer verder.
Marco Lodoli 2005.
Gevonden in 2017.
Abonneren op:
Posts (Atom)




