zaterdag 6 mei 2017

77. Brandweerkazerne Frosi (p. 83-84)

Water, lucht, aarde en vuur, volgens de antieke filosofen de eerste elementen in het universum, kunnen elk moment beginnen te razen: dan zijn er weer verwoestende overstromingen, cyclonen die alles wegvagen, afschrikwekkende aardverschuivingen, helse branden. Vaak is het de hand van de mens die het fragiele evenwicht van het leven ontwricht: een trotse hand die kwetst, verbrandt, verwoest, die er plezier in heeft dood en verderf te zaaien. En zo is er ook diegene die zich haast om het op te lossen, onmiddellijk, nu, voordat alles verloren is, wanneer de vlammen brullen en de wereld in rook opgaat, wanner het gevaar het grootst is. Daarna arriveren de politici, de discussies van mensen die verontwaardigd veroordelen en hopen op een kant en klare reconstructie: maar ondertussen begeven de brandweermannen zich midden in de ramp, en zij verkopen hun huid duur om te redden wat er te redden valt. We hebben ze bewonderd tussen de puinhopen van de Twin Towers, en in Rome in de Via Ventotene, die menselijke, genereuze, sterfelijke engelen. In ons bekrompen voorstellingsvermogen hadden we ze altijd gezien als mannen die hoog aan het einde van de ladder bezig waren om een poesje of een verward meisje te redden, of die met een brandslang in de hand een vuur verderop blusten: nu weten we voor eens en altijd dat er elke dag brandweermannen voor ons creperen en dat ze zich nooit terugtrekken. Daarom leek het me terecht om een eiland te wijden aan de mooiste brandweerkazerne die er op de wereld bestaat. Hij staat tussen Via Caposile en Via Cantore, in de wijk Prati, en hij draagt de naam van Massimo Frosi, een jonge brandweerman die stierf in een helicoptercrash op de Monte Gennaro. Het is een gebouw dat is opgetrokken in de jaren '30, politiek gezien een tragische tijd, maar die wel aan de stad vele prachtige gebouwen heeft nagelaten. Kazerne Frosi is een architectonisch juweeltje, harmonieus en functioneel, het lijkt op een antiek slot maar is ook modern, met twee ronde torens en machtige muren. Zes grote rode rolluiken scheiden en verbinden de kazerne en de straat: een telefoontje, een alarm is genoeg, en in een flits gaan de rolluiken omhoog en met loeiende sirenes vertrekken de tankwagens geladen met mannen die op de vlammen en de rampen af worden gestuurd. Ze gaan en weten niet of ze terug zullen keren, of ze 's avonds een bord pasta of een medaille voor bewezen moed zullen krijgen.

Marco Lodoli, 2005.

Nog niet gevonden.



vrijdag 5 mei 2017

76. Het Tibereiland (p. 82-83)

Wanneer we dwalen door de straten, kerken en musea binnengaan, ontdekken we dat er in elke hoek een verrassing verborgen kan zijn: en ook al lijkt het op het eerste gezicht niets bijzonders te zijn, ook al is het maar een willekeurige hoek in de stad, een anonieme doorgang, het blijft de moeite waard je ogen de kost te geven. "Er is altijd iets te zien," schreef Rilke. Een bar in de periferie kan een werelddeel bevatten, een kleine bloemist kan ons dichterbij de bossen brengen, een bedelares liggend op de stoep kan ons net zoveel laten lijden als een oorlog. Misschien is er niet een plek die dieper en intenser is dan een ander: wij en de dingen die we op ons netvlies hebben en die vervolgens in onze ziel gegrift staan zijn er. "Je verveelt je, omdat je vervelend bent," zei Elsa Morante, een grootse Romeinse dame: maar als we ons open en ... opstellen, kunnen we ons elke dag verbazen, misschien wel elk moment. En dus gaan we zelfs naar eilandjes die ver weg liggen, maar vergeten we ook niet het eiland van de Romeinen dat midden in de Tiber ligt, eeuwen geleden als een vrachtschip verankerd dat klaar is om uit te varen maar nog niet vertrekt, omdat het water van de haven waar hij in ligt hem elke dag iets nieuws vertelt. Misschien is het al wel jaren geleden dat we over de loopplanken van de Ponte Fabricio en de Ponte Cestio aan boord van het Tibereiland zijn gegaan. We kunnen er de obelisk bewonderen, geplant als een meesterlijke boom op het midden van het dek, of de kerk van San Bartolomeo, of het kleine kerkje van San Giovanni Calibita, we zouden kunnen stoppen om te eten in het oude restaurant van Sora Lella of erheen gaan om een onfortuinlijke vriend in het ziekenhuis Fatebenefratelli te bezoeken. Maar het mooiste om te doen is afdalen naar de oever om een wandeling te maken over het witte basement dat rondom het hele eiland loopt, geschampt door de stroming. Nu staat het water van de rivier erg laag en kijkt het eiland gestrand in droefheid. Het is een goede plek om te gaan zitten en na te denken over alles en over niets, en toe te staan dat de wind onze sigaret verteert en onze gedachten verwart.

Marco Lodoli 2005.

Gevonden in 2010.


donderdag 4 mei 2017

75. De kwekerij aan de Appia Antica (p. 81-82)

In deze tijd regent het dodelijke bommen en granaten, en daarom gaan wij op zoek naar een plek waar het leven ontstaat en waar het groen is: een mooie kwekerij. In werkelijkheid zijn alle kwekerijen mooi, met hun rijen planten met onmogelijke namen die we uit ons hoofd willen leren en meteen weer vergeten, met zakken bemeste tuinaarde die we zelfs onder onze voeten zouden willen legen, om onze grofheid compleet te bestrijden, met die serres vol met kleuren en geuren. Maar de mooiste van alle kwekerijen bevindt zich aan de Via Appia Antica, de trotse koningin van alle wegen in de wereld, precies tegenover het Circus van Maxentius en de tombe van Cecilia Metella. Het is een plek in de stad waarvan we allemaal denken dat we die goed kennen, maar waar we eigenlijk zeer zelden komen, want het leven brengt ons elders, naar de drukte van het centrum of de wanorde van de periferie. De Appia Antica komt op ons over als een perfecte ansichtkaart, ontsnapt uit een geschiedenisboek, waar onze aanwezigheid eigenlijk niet nodig lijkt: het is een afgelegen weg, die liep, die voerde, maar die nu naar geen enkele plek meer loopt of voert. De juiste gelegenheid om er opnieuw terug te keren voor een wandeling zou een bezoek aan deze fantastische kwekerij kunnen zijn, op zoek naar een granaatappelboom, naar bamboe, naar een rode roos of een kerstboom, of naar een bijzondere bloembak tussen de duizenden uitgestalde exemplaren. Verzameld in een oude serre staan de meest waardevolle soorten vetplanten, planten in gewaagde, verwrongen en stekelige vormen van leguanen en salamanders die je nekharen overeind doen staan. We bekijken en herhalen de Latijnse namen en staan versteld van al die wonderen der natuur: de mammillaria uncinata, de matucana formosa, de rebutia albipilosa en cactussen in elke variëteit, terwijl aan de andere kant van de ramen andere Latijnse wonderen zich uitstrekken, de weelderige ruïnes van geschiedenis, het graf van Romulus, het grote circus voor de wagenraces met tweespannen, de lieflijke tombe van Cecilia. Geschiedenis en natuur flankeren de beide zijden van de Appia, bloemen en stenen stemmen de wandelaar vrolijk en peinzend. Als je nog een schop nodig hebt om in beweging te komen, dan kan ik je zeggen dat in de kwekerij een heerlijke cafeteria zit waar je ook kan lunchen. Wanneer je daar bent, krijg je zin om van werk te veranderen, om tuinman te worden of bewaker van een zuil: wat dan ook om maar in zo veel rustieke vrede te kunnen vertoeven.


Marco Lodoli 2005.

Gevonden in 2012.


maandag 1 mei 2017

74. De hondenrenbaan bij Ponte Marconi (p. 80-81)

Flamenco, Messalina, Apache, Turbo, Pamplona, Gigolò en Emiro staan klaar voor de start. De mensen beklimmen de tribunes, velen grijpen zich vast aan de rasters van de omheining om nog dichter bij de piste te zijn: en allen frommelen tussen hun vingers het bonnetje van het wedkantoor. Plotseling daalt er een stilte neer, enkel verstoord door gehoest en het vreselijke geluid van het ophalen van fluimen. Geen enkele man heeft geen brandende sigaret in z'n vingers en rookt hem niet tot het echt niet verder kan op. Het is zover. Nog één ogenblik, let op. Klaar, af!
Zeven hazewindhonden schieten naar voren uit hun boxen en rennen als bezetenen achter een mechanische haas. De vierhonderdvijftig meter worden verzwolgen door een razende race, de meute honden strekt zich uit als een klap van de noordenwind, de eerste honden nemen afstand, de andere komen er weer bij, het is een vlaag van poten en spieren, een schot aan snuiten dat is afgevuurd richting de finish.
Een paar seconden en de race is al voorbij, niemand weet precies wie heeft gewonnen en wie heeft verloren. Voor ons staat een oude man die een prop maakt van z'n weddenschap: "Speul ik 'em, kumt-ie achteraon. Speul ik 'em nie, issie eurstes. Speul ik 'em dan toch wir, leste! Da verrekte bist vreêt an menne maog!" De menigte gaat uit elkaar, iemand gaat scheldend tekeer, de weinigen die op de juiste hond hebben gewed passeren de piketpoortjes om hun geld te halen. En dan staan ze er allemaal weer met het programma in de hand om de volgende race te bestuderen.
Dit is de wereld van de hondenracebaan bij Ponte Marconi, de laatste strandpost van de gokkers. Een oord vol hartverscheurende droefgeestigheid, die daarom ook ontroert, als je er af en toe op zondag heen gaat. Je vangt er, in groepjes die ontstaan en weer uit elkaar gaan, onvergetelijke spreuken op: "Condor en Quiz, primo en secondo, pasta en biefstuk, de lunch is weer geregeld!" Of: "Met een gok op Beëlzebub vergok ik verdomme m'n eigen ziel!"
Voorafgaand aan de race paraderen de honden voor de gokkers: het zijn beesten die uit een handboek voor fantasie-zoölogie lijken te komen, fijngebouwd en spits, licht en onstuimig, nageslacht van een mustang en een vogel. Ze lopen voorbij en kijken afwezig naar wie er op hen één of duizend euro inzet: gepensioneerden met longemfyseem, zigeuners met vingers vol ringen, nieuwsgierigen, lamzakken, mannen die op het punt staan zich te ruïneren of die al geruïneerd zijn. En de nieuwe race staat al op het punt van beginnen: het duurt een moment van hoop, en in een vloek en een zucht is het voorbij.

Marco Lodoli 2005.

Nog niet gevonden.
Inmiddels niet meer als hondenrenbaan in gebruik.



zondag 30 april 2017

73. Da Riccardo in de Vicolo dell' Annunziatella (p. 79-80)

Uit het gehemelte van de lucht regent het elk jaar weer vorken en koksmutsen, men gaat in de diverse gidsen in discussie over het toekennen van een half punt minder aan een restaurant van naam, men vergelijkt de wijnkaarten, de kwaliteit van de bediening, de smaak van de desserts en de angstaanjagende bedragen die men aan het einde van het diner moet betalen. Toch zien de recensenten een stijgende lijn in het Romeinse restaurantwezen: het lijkt er eindelijk op dat men beter eet dan een paar jaar geleden. Wij gewone proevers blijven, al zeg ik het zelf, daar echter steeds meer van verstoken wanneer we de menu's lezen: elk gerecht, gepresenteerd in elegante Engelse letters, bestrijkt nu niet minder dan twee regels en hoe meer details de beschrijving bevat, hoe minder we begrijpen van wat we tegemoet gaan. Draadjes struisvogelvlees omsloten in bladeren van bloemkool en gedoopt in een creme van bosbessen, of een dun laagje tonijn, buitelend in een wildsaus en gegaard in een zweem van jeneverolie: zulke gerechten laten je je dom en incompetent voelen. Dus kun je beter op expeditie gaan naar de Vicolo dell' Annunziatella, in de wijk Ardeatino, naar de oude trattoria Da Riccardo, open sinds 1935. In een roman van McEwan bevond de hoofdrolspeler, door een wonder in het ruimte-tijdcontinuüm, zich buiten dit lokaal waar op dat moment zijn vader en moeder, die toen nog jong waren, bij hun eerste ontmoeting nipten van hun bier. Hun fietsen stonden tegen de muur van de kroeg en hij zag ze door het raam verliefd met elkaar praten, ongewis van hun toekomst en niet wetend van de zoon die ze op een dag zouden krijgen. Als jullie ooit bij Riccardo gaan eten, zullen jullie diezelfde duikeling in de tijd ervaren. Het is niet moeilijk om je te bedenken dat tussen die eenvoudige, oude muren onze ouders op een mooie feestdag hebben genoten van een pasta carbonara en van twee keer gegaarde raapsteeltjes. Buiten is er een boerenerf, daarna een binnenplaats met marmeren tafeltjes, een pergola en een schutting van riet, en binnen ruik je de lucht die hangt in oude gebouwen, die de geschiedenis, de rucola en de garnalen vergeten zijn. Aan een kant bevinden zich nog de ouderwetse koelruimte en stenen wasbak, en aan de muren hangen nog de posters met de spelers van AS Roma die net landskampioen zijn geworden, maar toch lijken ze allemaal op Amadei of Losi. Je eet er voortreffelijk, je zit er voortreffelijk, en voor een uurtje kun je je daar onttrekken aan de waan van de dag.


Marco Lodoli 2005.

Nog niet gevonden.


72. De boom op de Piazzale delle Muse (p. 78-79)

In de jaren '70 waren enkele pleinen die waren aangelegd in fascistische tijden no go area's, domeinen waar je het gevaar liep in elkaar gelagen te worden of zelfs nog erger, en als men in het geval van de Piazza Euclide uiteindelijk, gezien diens openlijke triestheid, zich nog niet verloren voelde, dan was daar in ieder geval nog altijd de deplorabele staat van de Piazzale delle Muse om zich aan te ergeren, een plek die ooit nog werd bemind door onder andere Sartre en Simone de Beauvoir.
Gelukkig is het rechthoekige plein dat één van de mooiste panorama's over de stad biedt sinds lange tijd weer toegankelijk: je kunt er zitten op de veranda van bar Parnaso en van boven de moskee bewonderen, en de rivier, de velden van Acquacetosa, het Olympisch stadion dat lijkt op een racebaan voor kleine autootjes, en verderop de contouren van de grote flats van Bel Poggio, en nog veel verder weg de silhouetten van onbekende heuvels. Maar bovenal kan men erheen lopen om een bezoek te brengen aan één van de alleraardigste bomen van Rome. Ik weet niet of jullie die kleine, mythische dwergpaardjes paraat hebben, die met hun buik over de grond schuren, waarop kinderen, gevolgd door de bezorgde blikken van hun ouders, voor de eerste keer de opwinding van een korte rit te paard beleven. Later als ze ouder zijn, klimmen die kinderen op volbloed paarden die trappelen met hun hoeven, of op de snelste scooters, maar nu ervaren ze op die halfezels het schommelende plezier van een rondje door het park, en dat vergeten ze nooit meer. Kijk, de boom die midden op de Piazzale delle Muse staat, is net zo'n ezeltje, maar dan plantaardig: door een vreemde speling van de natuur, of misschien door een woeste windvlaag, is de stam zo gebogen dat men er tegenop zou kunnen lopen. Boomstammen groeien verticaal, dat is zo door het lot bepaald, maar deze boomstam versmaadt elke regel en scheert langs de grond, het lijkt alsof hij tegen elk kind zegt: klim maar rustig op mij, probeer het maar, je zult zien dat het niet gevaarlijk is. Begin maar hier, bij mij, kweek zelfvertrouwen en op een dag klauter je in de takken van mijn hoogste broers, je zult de moed hebben om van de ene tak naar de andere te springen, om elke moeilijkheid in het leven te trotseren. Door steeds te zijn betreden door kinderschoenen is de schors glad geworden, net als die beelden van heiligen die door de handen van gelovigen worden geaaid. In wezen is deze boom de beschermheilige van onze kindertijd, van de onschuld, van fijne spelletjes die nooit meer terugkeren.


Marco Lodoli 2005.

Gevonden in 2015 (tenminste, ik denk dat het deze boom is, want dat was de enige op het plein waar je in kon klimmen).



zondag 12 maart 2017

71. De kruising van via di Portonaccio, via Prenestina en via dell' Acqua Bullicante (p. 77-78)

Soms gebeurt het dat we in een monstrueuze verkeersopstopping staan en dat we ons als hamsters in de kronkels van een blikken slang voelen: iedereen in de auto slaat op z'n claxon, scheldt tegen het oude vrouwtje dat de tijd voor het groene stoplicht heeft verdaan, tegen de bestuurder naast ons die ons aan de kant drukt, tegen de bus die dwars over de weg staat, tegen de hele wereld.
We staan op de kruising van de via di Portonaccio, via Prenestina en via dell' Acqua Bullicante, in een kluwen van staalplaten en verwensingen, en een ogenblik lang denken we dat het ons nooit zal lukken om hieraan te ontsnappen, dat we de rest van ons leven zullen doorbrengen met het beledigen van onze naaste en het verwensen van de stad. En dan valt onze blik plotseling op een hoekje vol bloemen: onder het mozaïek van een kleine madonna staan veel bossen rozen en anjers, lelies en margrieten. En aan de muur, aan de linker- en rechterkant, voorafgaand aan de reclameposters die ons nutteloze producten aanprijzen, wordt honderden keren het woord "grazie", dank u, herhaald. Het is een van die hoeken waar ex-voto's van simpele mensen worden opgehangen, mensen die in angstaanjagende problemen terecht zijn gekomen, die op een dag aan de madonna, aan het leven, aan het lot hebben gevraagd om genadig hun ongeluk te bezien. En daarna, omdat de dingen onvoorspelbaar zijn, omdat hoop nieuwe energie geeft, door puur geluk of door een echt wonder, is de zieke zoon genezen, heeft de onvruchtbare vrouw een kindje gekregen, kreeg men eindelijk werk, heeft een liefde die doods leek een nieuw leven gekregen. En daarom kwam diegene die zich wendde tot deze straat-Maria terug om haar te bedanken. Sommige bordjes stammen uit de tijd van vlak na de oorlog en andere zijn zeer recent opgehangen, een aantal heeft de vorm van een hart, sommige zijn van marmer en andere van steen; in de muur is een simpele baksteen gevoegd die zijn dankwoord ingekrast met een spijker draagt, er hangen handboeien van een gevangene, een houten spaander beschreven door een immigrant, er is een bordje waarop staat geschreven: "Toen elke hoop verloren was, is door een wonderbaarlijke lotsbeschikking ..." en de regen heeft de rest weggewassen, maar eronder staan nog de emblemen van Atac, van Acotral en Codacons: wie weet wat er is gebeurd, welke angstige geschiedenis ten einde kwam met die blijk van dankbaarheid. Zoveel verhalen waarvan we niets zullen weten. Maar die muur vol dankbaarheid draagt voor even onze gedachten, brengt ons naar huis.

Marco Lodoli 2005.

Gevonden in 2015.



70. Sant' Eustachio (p. 76-77)

Wandelend door Rome doe je er goed aan om af en toe een blik omhoog te werpen, zoals men in het azuurblauw van een meertje een hoopvol hengeltje uitwerpt: je kunt dan een mooi marmeren engeltje hoog op een daklijst vangen, of een gedurfd uiteinde van een koepel, of gewoon het sympathieke gezicht van een mevrouw die bij het raam staat. Een groet en weg, want deze bijzondere vorm van vissen kan nieuwe verrassingen opleveren. Na het drinken van de beroemdste koffie van de stad in de bar aan piazza Sant' Eustachio, vliegt het dobbertje van onze blik bijvoorbeeld omhoog om tot onze verbazing te blijven hangen in het gewei van een enorme hertenkop die de kerk tegenover de bar domineert. Wat doet die grote kop van dat beest bovenop een barokke gevel? En waarom heeft het midden in zijn gewei een kruis? Misschien vormt het een symbool van de symbiose van het Christendom en een heidens geloof, van de rechte en goddelijke orde van het kruis en de vertakte en bosachtige wanorde van het gewei?
Achter dat beeld zit het verhaal van Eustachius, commandant in het leger van Trajanus. Op een dag, toen hij tussen de bomen wandelde, verscheen er een groot hert voor hem, precies zoals voor Robert de Niro in die beroemde film. Eustachius was ook een geoefend jager, en daarom spande hij zijn boog om het beest te doden, maar plotseling verscheen er in het gewei van het hert een lichtgevend kruis: er klonk geen verheven stem om hem te bekeren tot God, er was geen cherubijn of een heilige, maar een eenvoudig dier, een zachtaardig wezen uit het bos. Eustachius begreep de boodschap en werd christen, en met hem ook zijn vrouw en twee kinderen. De legende vertelt dat hij in ballingschap werd gestuurd en daarna, na een paar jaar, werd teruggeroepen om te vechten in een oorlog. Hij gedroeg zich moedig, maar hij wilde niet knielen voor de leugenachtige goden van de Romeinse staat. Hierom werden hij en zijn familieleden als maaltje voor de wilde dieren gegooid: maar de tijgers en leeuwen raakten hen niet aan, sterker nog, ze gingen als liefdevolle Romeinse katten voor hen zitten. Dus gooide de woedende keizer Eustachius in een gloeiend hete bronzen stier. Het belangrijkste altaarstuk in de kerk, een werk van Nicola Salvi, beschrijft de scène van zijn martelaarsdood. Er was een namaakbeest nodig om Eustachius te doden, omdat de echte dieren zijn vrienden waren. Het zijn altijd onze vrienden, de dieren.


Marco Lodoli 2005.

Gevonden in


69. Het Nationale Pastamuseum (p.75-76)

Als een man is wat hij eet, dan worden Italianen gemaakt uit pasta met tomatensaus: en misschien wantrouwen de andere Europeanen ons daarom wel, omdat we moeilijk om een vork zijn te winden, we overal tussendoor glippen en makkelijk vlekken geven, als we te veel denken verpappen en verweken we, gaan we te snel, dan blijven we hard en onaangenaam. Om onze aard beter te begrijpen is een bezoek aan het Museo Nazionale delle Paste Alimentari de moeite waard, het nationale pastamuseum op piazza Scanderberg (de entree is overigens veel te duur). Elk geheim van pasta wordt uitgelicht, de dagelijkse bezigheid die we wegwerken met vier vraatzuchtige vorken wordt in elk intiem detail geanalyseerd: er zijn tabellen die met grote zorgvuldigheid de verschillende stappen in het productieproces illustreren, van het malen va het meel tot het mengen ervan, van het persen in een vorm tot het drogen, en de machines die voor dit werk worden gebruikt worden in de zalen getoond, moderne en antieke exemplaren. Andere schema's leggen de voedingswaarden uit, de proteïnen, de vetten, de koolhydraten en de vitamines die we onbewust opschrokken, afgeleid door de goede smaak van kruiden of door de tv die aanstaat. Aan de muren vallen de 19e eeuwse platen op waarop vele Pulcinella's bezig zijn om met macaroni hun honger te stollen, en zien we honderd reclames van Barilla en Agnesi die ons verleiden om het er stevig van te nemen, want pasta is zon een vreugde, is niet duur en geeft troost tegen al het kwaad in de wereld. Leopardi had, eerlijk gezegd, wat twijfels, en in zijn Nuovi Credenti schreef hij: "Napels bewapent zich ter verdediging | van haar macaroni, want het valt haar zwaar, het plaatsen van de dood | voor de macaroni. En ze kan niet begrijpen, aangezien ze zo lekker zijn, waarom dorpen, landen, provincies en naties, niet gelukkig worden door hun kwaliteit." Men stopt zich er vol mee om maar niet te denken aan de dood, en men verbaast zich erover dat een bord spaghetti niet elke plek vrolijk maakt. Een zekere Gennaro Quaranta gaf hierop als volgt antwoord: "Maar als je van macaroni meer had gehouden | dan van boeken, die zwarte gal veroorzaken, | dan had je geen zware kwalen hoeven lijden. | Levend tussen goedlachse dikkerds | word je misschien wel, blozend en vrolijk, | 90 of honderd jaar oud." In het museum kun je deze gedichten lezen en erover nadenken in alle rust, maar niet te lang, want het is inmiddels tijd voor de lunch.


Marco Lodoli 2005.

Gevonden in 2009.


68. Het mozaïek voor het Stadio Olimpico (p. 74-75)

De mensen die voetbal gaan kijken spreken vaak met vrienden af "bij de bal", en specificeren met een glimlach: "Niet die kapotte voor het Ministerie van Buitenlandse Zaken, maar die gave voor het Olympisch stadion", want het kan gebeuren elkaar mis te lopen tussen de diverse testikels. Op het plein van de onbeschadigde bal is een zee van mensen en kleuren te vinden, wit-blauwen of geel-roden volgens het wedstrijdschema van de zondag, van verkopers van belegde broodjes en Borghetti-koffie, van zwarthandelaren met toegangskaartjes en oproerpolitie. Ze wachten allemaal om de tribunes op te gaan te beklimmen of om een of ander zaakje af te handelen.
Ik geloof dat bijna niemand let op de bestrating van het plein, de enige die er zijn oog op laat vallen is degene die zijn peuk met de hak van zijn schoen uittrapt. Dat grote mozaïek daarentegen, het grootste van heel Rome, verdient aandacht en het is de moeite waard om er overheen te wandelen op een werkdag of een zondagochtend. Het is een perfect overzicht van politieke en van fascistische esthetiek, vol heldendom en hoogdravende klassieke oudheid. Miljoenen minuscule zwarte en witte steentjes vormen verontrustende slogans, als "Duce, onze jeugd wijden wij aan u" of de bekendste "Veel vijanden, veel eer", en vormen tientallen strijd- en sporttaferelen. Op de grond zie je daadwerkelijk de vrachtauto met een knokploeg die aan het zwaaien is met een vlag met het fascistische opschrift "Het kan me niet schelen", en hier en daar verspreid zie je veel leeuwen en veel gazellen, die de veroveringen in Afrika door het Rijk in herinnering moeten roepen. Maar de weergave van de verschillende sporten is werkelijk mooi, de lichamen van de atleten hebben een plasticiteit die doen denken aan de stijl van Mario Sironi, ze zijn simpel en krachtig. Als we rond de bal lopen ontdekken we op het mozaïektapijt rustende speerwerpers en boksers, duikers en zwemmers, schermers en worstelaars, hordelopers en gewichtheffers, en zelfs hockeyers en jockey's op de rug van indrukwekkende paarden. Het zijn figuren die zijn gerealiseerd volgens de schetsen van belangrijke kunstenaars van die tijd, Canevari, Rosso, Severini. Helaas beginnen ze af te brokkelen, want in de middag wordt het plein vaak een skatebaan en de steentjes schieten weg onder de wieltjes. En vervolgens valt er regen op, blaast de wind erover, brandt de zomerzon erop, en zo verwoest de tijd die vervliegt zelfs de meest atletische lichamen.


Marco Lodoli 2005.

Gevonden in 2010.