dinsdag 24 januari 2017

63. De prostituees van Tor di Quinto (p. 68-69)

We waren 14, vlassnorretje, kenden voor het eerst liefdesverdriet door een vriendinnetje dat vreemdging en onze scooters waren nieuw en bij het vallen van de avond deed onrust ons menigmaal rondzwerven. Wegrijdend via de straten die rond Corso Trieste liggen opgekruld, namen we de Olimpica die wij zagen als een snelweg waar de auto's voorbij schoten richting het onbekende, de oneindige kilometers duisternis onderbroken door een stippellijn van lantaarns en aanduidingen van benzinestations. Voor de tunnel gingen we rechts, richting de verdoemenis, richting de hel. Verderop bij de afdaling begon Tor di Quinto. Alleen al bij de naam liepen de rillingen over onze rug en in onze gedachten, het werd snel uitgesproken, alsof het de naam van een willekeurige straat was, waar het trainingsveld van Lazio Roma lag, en kijk, verder niets bijzonders. In werkelijkheid gingen we daar naar beneden om met koortsig brandende ogen te kijken naar de priesteressen van de zonde, de obscene en angstaanjagende seksvestalinnen, de onnoembare hoeren. Ze waren in niets gelijk aan de escorts van vandaag, arme Slavische meisjes, magere en zachte blondines, die het hart ineen doen krimpen: nee, zij waren immens en ongemanierd, ze lachten en schreeuwden rond kampvuren die vanuit het binnenste van de aarde omhoog leken te komen, wanordelijke vlammen die aards plezier en goddelijke straf beloofden. De vrouwen bewogen tussen het duister en de rode gloed van dat vuur dat continu werd gevoed, ze droegen absurde avondkleding, ze zongen volksliedjes, ze waren prachtig en eng tegelijkertijd.
Vandaag de dag is de seksmarkt verplaatst naar elders en heeft andere hoofdrolspelers en afgeraffelde en wredere rituelen gekregen, Tor di Quinto is verworden tot een anonieme doorgaande weg. Toch werken er nog steeds twee of drie prostituees onder die platanen: ze zijn zo oud hebben zo'n zwakke gezondheid dat ze sympathie oproepen. Eentje wordt altijd omringd door grote zwerfhonden, ze lijkt door te gaan met strijden om haar beesten te kunnen onderhouden; de ander lijkt een gepensioneerde schooljuf, heeft een wit gebit en een pagekopje vol blonde haren, ze loopt mank heen en weer als een dier met pijn. Ze hebben hun leven gespendeerd aan het verlenen van enkele momenten van geluk aan eenzame mannen. Er zou ook een wet-Bacchelli voor hen moeten zijn, een klein pensioen dat ze in staat stelt rust te vinden.


Marco Lodoli 2005.

Nog niet gevonden.

maandag 23 januari 2017

62. Het grafmonument van Quintus Sulpicius Maximus (p. 67-68)

Van de vele dingen die we op school moeten leren, beklijven er maar een paar in ons geheugen. Ze verdwijnen allemaal, die Napoleontische slagvelden, onbegrijpelijke vierkantsvergelijkingen, ablativi absoluti en hoofdsteden in Afrika, sterrenbeelden en schrijvers uit de 17e eeuw. Maar onuitwisbaar blijft ongetwijfeld de herinnering aan het jongetje van Pascoli, Il Fanciullino. Dat jochie, dat weet men wel, vormt onze dichterlijke kant, "hij praat tegen beesten, tegen bomen, tegen stenen die aan onze zintuigen en onze ratio ontsnappen, hij ontdekt in de dingen scherpzinnige overeenkomsten en vindingrijke verbanden. Hij past de naam voor het grootste toe op het kleinste en andersom; hij wordt klein om te kunnen zien, hij wordt groot om te kunnen bewonderen..." Wanneer we kinderen zijn, komt zijn leven overeen met dat van ons, en daarna blijft zijn stem en zijn blik maar in enkele mensen bewaard, in dichters, ongecompliceerde zielen, in mannen en vrouwen die verbazing en compassie voor het bestaan blijven voelen; in anderen, die er grondig op letten dat ze geen tijd verliezen, in hen is het jongetje voor altijd gestorven.
Maar goed, in onze stad, op de chaotische kruising bij Via Pavia en Via Buoncompagni, precies tegenover Piazza Fiume, kunnen we, aangebracht tegen een duister afgebrokkeld stuk van de Aureliaanse muur, het grafmonument van de jongen zien, misschien het graf van onze onschuld. In een hoge nis staat het beeldje van Quintus Sulpicius Maximus, de jongste Romeinse dichter; hij leefde in de 1e eeuw na Christus en stierf toen hij net 11 jaar oud was. Op het voetstuk van het beeldje beweent men in twee in het Grieks geschreven epigrammen zijn vroegtijdige overlijden en wordt zijn korte carrière in herinnering gebracht: in 94 deed Quintus Sulpicius met een geïmproviseerd lyrisch gedicht mee aan een dichtwedstrijd, en in zijn verzen vertelde hij hoe de onervaren Phaëton de zonnewagen bestuurde en hoe die vlammende waren, na de Aarde bijna te hebben verbrand, in het water van een rivier stortte. Wij staan daar, geperst tussen de auto's die roken en brullen, we kijken naar het jongetje dat zijn poëzie in zijn handen houdt en we voelen van binnen iets van een in de verte nauwelijks hoorbare stem. En plotseling duwt het verkeer ons weer verder.


Marco Lodoli 2005.

Gevonden in 2017.




61. De Pincio (p. 66-67)

Op televisie hebben quizzen het meeste succes, vooral als ze worden opgediend in een jus van miljarden als geldprijs. Thuis proberen de mensen het juiste antwoord te geven, dat probeer ik ook, en op die bijzondere momenten net voor het avondeten, misschien als net een soort weemoed op komt zetten, een vaag gevoel van falen, zijn twee juiste antwoorden genoeg om ons onverwacht verkwikt en trots te voelen. Ik stel voor om op een zondag van de bank te verhuizen naar de Pincio en samen met een vriend of verloofde je herinneringen en je benen wat te strekken. Zoals bij elke quiz die zich serieus neemt moet er een tijdsmeter zijn: en die hebben we, het is de magnifieke waterklok van Giambattista Embraico, vorig jaar gerestaureerd. Je kijkt op de klok, die nooit de juiste tijd aangeeft, en het spel is begonnen.
Aan beide zijden van het pad staan op een rij de vragen: er staan bustes van beroemde mannen, die mooie koppen van steen waarop vandalen vaak tekeer gaan. Van die illustere figuren, hoeveel kennen we er? Hoeveel punten kunnen we bij elkaar vergaren door in de lesstof van vroeger of in recente literatuur te duiken? En onze vriend of verloofde, weet die meer of minder? Aan Masaccio gaan we allemaal in volle zeilen voorbij, men weet natuurlijk dat het een beroemde schilder uit de 15e eeuw was, en ook aan Leopardi en Torquato Tasso gaan we vlug en opscheppend voorbij. Maar bij Paolo Sarpi of bij Annibal Caro beginnen we al te aarzelen, daar vindt de eerste selectie plaats. Onze vriend en vriendin lijken beter voorbereid dan ons wat betreft kennis over personen die in mist lijken te zijn opgegaan, over namen die we niet meer weten te plaatsen, bijvoorbeeld Pietro Colletta of Federico Cesi. Wie waren het, patriotten, wetenschappers of toch kunstenaars of historische figuren? Men komt ook voorbij portretten van mannen die nu volslagen onbekend zijn, en je moet wel echt een kampioen zijn om uit te kunnen leggen wie Montecuccoli of Atto Vannucci waren, die door een grappenmaker met een viltstift werd omgedoopt als Atto Vandalico. Ondertussen genieten we van de koelte van de wilde kastanjes, en al wandelend vinden we rust. Na een half uurtje zijn we terug bij de waterklok. Wie had de meeste goede antwoorden, wie heeft er gewonnen? Dat is niet meer zo belangrijk: we hebben een mooie reis gemaakt, kijk, een tocht dwars door de Elysese Velden, tussen de schaduwen van de doden het groen door, en we zijn weer terug.


Marco Lodoli 2005.

Gevonden in ... ja, wanneer was dat ook alweer? En waar is die foto gebleven?


60. De Tiber (p. 65-66)

Montaigne schreef: "Van Rome blijft alleen de richting de zee vluchtende Tiber bestaan. Alles wat vast is wordt door de tijd verwoest en al wat stroomt, weet weerstand te bieden." Het lijkt een taoïstische observatie, een uitnodiging om de verhalen en om de personen die zich belangrijk noemen en die zich op een marmeren voetstuk oprichten om hun eigen macht over anderen te etaleren niet te serieus te nemen. Ook dat marmer is voorbestemd om af te brokkelen, en elke onbescheidenheid is voorbestemd om veel te leren van het stof waarin het zal vallen. Net zo verkeerd is het daarentegen om zich in een vernederende en strenge bescheidenheid klein te maken, zich het hoofd te bedekken met as en met plezier de wereld elke schoonheid te verwijten. Uiteindelijk toont deze houding ook ijdelheid en koppigheid, een trots verlangen om zich te onderscheiden.
In deze aangename lentedagen kun je het beste afdalen naar de kades die langs de Tiber lopen en een wandeling maken langs de stroom en vervolgens even te zitten en het lint te bewonderen dat zich ontrolt en nooit stopt. Gelukzalig zijn de personen - veel te weinig, veel te gelukzalig - die een pas hebben van iemand die lid is van een roeivereniging. Maar ook wie dit privilege niet heeft kan de rivier ervaren als een goed dat altijd beschikbaar is. Hij is daar, hij stroomt tussen ons in, hij gaat en wacht op ons op hetzelfde moment.
De hoge muren, de smerige trappen, angst voor muizen of voor een dronken zwerver, of wie weet, misschien alleen onverschilligheid houden de Romeinen ver van de oevers van de Tiber. We hebben zo veel te doen, duizend problemen en duizend verlangens, afdalen naar de rivier lijkt alleen maar tijdverlies. We willen beroemd worden, we werken hard voor onze bevestiging in de wereld, en niet om het water richting de zee en het leven richting de dood te zien kabbelen. En toch zouden we een pauze moeten nemen, en misschien ook een aperitief in een van de vele pontons die aan de oevers zijn vastgemaakt. Sommige zijn echt mooi, zoals die bij het Olympisch Stadion, of die bij de metrobrug of onder Ponte Cavour. Tegen de avond, wanneer de stad lijkt op een verre, temperende gloed, profiteren we van het ruisen van de rivier, van zijn oneindige les. In het licht van de tijdelijkheid verschijnt alles aan ons, en alles verschijnt aan ons als een verrassing.


Marco Lodoli 2005.

Gevonden 2010.


59. Via Nomentana 581: pizza van de Iezzi-familie (p.64-65)

Wie weet hoe het Wereldkampioenschap Pizzabakken eruit zou zien, het kost een zekere moeite om je dat voor te stellen. Zou het zijn met directe eliminatie zoals bij het tennis, met veel voorrondes en makkelijkere eerste partijen voor de beteren, bijvoorbeeld een pizzabakker uit Torre Annunziata die een tegenstander uit Ecquador die zich via de kwalificaties had geplaatst, afslacht? Of dat ze allemaal schouder aan schouder strijden, terwijl ze hun creaties uitrollen op een heel lange marmeren werkbank, het deeg garneren met de grootste nauwkeurigheid en ze afbakken in majestueuze ovens? Komen de beste pizza-maestri daadwerkelijk van over de hele wereld vandaan, gladgeschoren Chinezen, bebaarde Noren, Mexicanen met een sombrero, Tartaren met blote bast, goedgebouwde Afrikanen, die allemaal hun tomaatjes en hun ansjovisjes klaarleggen en O sole mio zingen? Of is het een zaak die uitgemaakt moet worden in huiselijke kring, tussen de Italiaanse kampioenen? Ik zou het antwoord eigenlijk niet weten, maar ik weet wel dat bijna altijd degenen die uitkomen namens de Iezzi-clan zouden winnen: een familie die meer weet van de pizza dan de duivel. Eén van de Iezzi, Massimo heeft in Fiuggi de strijd beslist met een risicovolle en indrukwekkende vinding: een pizza met druiven, spek en truffelsaus. Voor de Iezzi vormt het gerezen deeg een basis die geschikt is om welk ingrediënt dan ook te dragen, het is de res extensa waarop elke fantasie kan rusten: ik stel me voor dat ze op een dag patent weten te krijgen op onvoorstelbare pizza's met beleg als weemoed en stukjes moed, tranen en dromen.
Als je een paar stukjes van zulke wonders wil proeven, moet je naar Via Nomentana 581. Aan het einde van een helling dat wat weg heeft van een Olympisch podium is hun winkel, hun atelier, een plek dat van buiten verward kan worden met een van de veertienhonderd pizzerie al taglio, die op het banale af de stad van eten voorzien. Daar binnen staan de ovens die kundig zijn ingesteld om alle uitdagingen te overstijgen of de temperaturen in de bakruimten te laten zakken, daar creëert men het onwaarschijnlijke. Wie een simpele pizza marinara of margherita wil, kan beter ergens anders heen gaan. Je gaat naar de Iezzi eerder om je geest te verbazen dan om je rommelende maag te stillen. Hoe dan ook, je spendeert er maar weinig geld, want pizza is pizza, het plezier van het volk: met vijf muntjes reis je op een vliegende ovenschaal.


Marco Lodoli 2005.


Nog niet gevonden.




zondag 29 mei 2016

58. De moskee op Monte Antenne (p. 63-64)

In een of ander hoekje in ons brein, eeuwenlang ingesleten en gevoed door angst en wantrouwen weergalmt nog altijd de kreet: "Mama, de Turken!!" In de confrontatie met islamitische bootvluchtelingen in onze stad bewegen we ons nog altijd met omzichtigheid en achterdocht, bijna vrezend voor verborgen kromzwaarden, brute religieuze fanatici en de wreedheid van woeste Saladins. Een betere manier om deze angst uit te wissen en misschien zelfs een beetje vertrouwd te raken met de moslimcultuur is op vrijdag, de dag van gebed, naar de nieuwe moskee onder het neerhangende groen van Monte Antenne te lopen. Onder de omheiningsmuur ontwart zich als een karavaan een marktje, als de kleine broer van de vele rumoerige bazaars die de islamitische landen kleur en geur geven, van Tangiers tot Peshawar, van Istanbul tot Samarkand. In de kraampjes verkoopt men stoffen vol arabesken en zachte muiltjes, poten vol augurken en bossen muntblaadjes voor de thee, muziekcassettes en religieuze boeken, trainingspakken en kaftans, parfums, parasols en chadors, terwijl zowat overal aan grote cilinders vlees wordt geroosterd, waarvan stukken worden afgesneden om ronde stukken brood mee te vullen, waarin allen met smaal de tanden zetten.

Hier komen moslims samen, afkomstig uit vele verschillende landen, ze zijn getint en zwart en blank en met amandelvormige ogen, en onder elkaar leggen ze contact, maken ze ruzie en maken ze lol in de enige taal die allen ten minste een beetje spreken, het Italiaans, en zelfs een bizar Romeins dialect. Hier luistert men naar boeiende verhalen en valt er veel te leren. Tijdens de handel kan men discussiëren over de situatie in Palestina met een jonge vluchteling, die graag vertelt over de rechten van zijn volk, die ons foto's laat zien van zijn huis en zweert slechts te willen vechten voor een rechtvaardige vrede; of met een bebaarde man, die exemplaren van de Koran verkoopt en die, terwijl hij vol affectie zijn jonge dochtertje knuffelt, ons de ware rol van vrouwen binnen de Islam uitlegt. En zo, terwijl we een bijzonder hoofddeksel proberen, hemelsblauw met gouden borduursel, raken we in gesprek en slaan we elkaar op de schouder en merken we dat deze mensen geen onbekenden zijn om bang voor te zijn, maar mensen, verward in de wereld, mensen van Rome.


Marco Lodoli 2005.

Gevonden in 2015.



57. De engel op de Sant' Andrea della Valle (p. 62-63)

Volgens de Christelijke traditie waren het de engelen die de rots, die het graf van Jezus afsloot, wegrolden, en dus is het juist om aan hen dit lente-eilandje te wijden. Rome wordt doorkruist door de vlucht van ontelbare hemelse gevleugelden: cherubijnen, aartsengelen en tronen spreiden hun vleugels uit en blazen op duizenden schilderijen hun trompetten, zwaaien verzonken in marmer hun zwaarden en dragen de symbolen van het lijden van Christus, ze zijn onheilspellend of opgeblazen, onzeker tussen de aarde en de hemel, vluchtige vormen van de wind en medelijden. Voor ons Romeinen zijn ze dagelijks aanwezig, we vinden ze overal als de duiven op de pleinen en de meeuwen die rondcirkelen boven de Tiber, voor onze ogen die naar de lucht kijken vormen ze een houvast en opstapjes tot verbeelding. Verder heeft ieder van ons zijn eigen favoriete engel, die ene die men op een of andere manier beschouwt als beschermengel. Onze aardse blik is zijn voetstuk, onze aandacht is de lucht die hem draagt. Mijn lievelingsengel bevindt zich op de kroonlijst van de Sant' Andrea della Valle, in de hoek links in de hoogte, en hij lijkt te twijfelen of hij weg zal vliegen of dat hij zich zal begeven tussen de mensen, schommelend door twijfel die de engelen boven Berlijn zo vaak heeft laten lijden. Het is een werk van een kunstenaar uit de 17e eeuw, ene Ercole Ferrata, nogal onbekend en misschien ook niet zo vaardig, aangezien Paus Alexander VII zo ontevreden was over het beeld dat hij de kunstenaar het geld ontzegde om een tweede engel te maken, de engel die de façade weer in symmetrisch evenwicht had moeten brengen. Nu groeit er op die lege plek een wilde plant, net zo levendig en verward als de grote engel die aan de andere kant staat.


Marco Lodoli 2005.

Gevonden in 2011.


56. De laatste telefooncellen (p. 61-62)

M'n vader weet nog dat het plein voor het Pantheon bedekt was met hout uit Montevideo, en m'n oudste broer herinnert zich nog de houten vlonders aan de Tiber, vanwaar de dappersten en de armsten zich baadden. De dingen gaan voorbij, soms verandert de tijd ze, soms wist de tijd dingen zonder mededogen uit. Ik kijk met melancholie naar de laatste telefooncellen. Tegenwoordig hebben zelfs kleine jochies een mobieltje in hun zak, en nu iedereen met de hele wereld kan praten waar en wanneer men maar wil, zijn die kleine ruimtes op de trottoirs van de stad niet meer nodig.
Men is al begonnen aan de ontmanteling: een aantal cabines is al vervangen door koepeltjes van plxiglas of door bizarre prisma's van glas, maar het grootste deel is al van hun plek gerukt als bomen die nooit meer terug zullen groeien. Men praat nu in de wind, onze woorden worden ongegeneerd in cafés en restaurants breed uitgemeten en nodigen zonder gêne de vreemde naast je uit tot nieuwsgierigheid. Afspraken worden op één avond wel duizend keer gewijzigd, men zoekt elkaar en belt elkaar tot het uiterste, zoals wanneer men in het donker loopt en bang is verloren te lopen. De telefooncel was echter een plek die vol was van concentratie en ernst, waar je geen woord kon verspelen, want de tijd tikte door en vrat muntjes. Het was prachtig om ze 's nachts verlicht te zien staan, in zichzelf gekeerde werelden die voor iedereen zichtbaar waren, en iemand er in zijn eentje in te zien staan, die praatte en luisterde: ik weet niet waarom, maar van buiten leen het altijd duidelijke gesprekken, verklaringen of vaarwels, waardevolle woorden die als kussen werden uitgewisseld. Wij stonden te wachten met muntjes in onze zak, bijna bang om te storen. Soms begon degene die in gesprek was zacht te huilen, of te lachen, maar zachtjes alsof het een geheim was. Het waren plaatsen van buitengewone vertrouwelijkheden, wereldse ontboezemingen, kleine intimiteitjes afgesneden van de stadse chaos, stille cellen waar elke zin het gewicht van een eed had. Tegenwoordig leven we in het doffe geruis van collectieve communicatie, in een lichtzinnig en kleverig web van woorden, en gaat niemand de cabines meer in, en dus verdwijnen de telefooncellen. De herinnering blijft aan hoe koud het buiten was, en hoe het in die cel warm van woorden was.


Marco Lodoli 2005.


Gevonden in 2015 (Telefooncel in de Viale dei Parioli)


55. De tijdschriftenwand van La Feltrinelli in de Via Orlando (p. 60-61)

We lezen elke dag, begrijpen weinig maar maken ons enorm druk, dat de wereld aan het veranderen is in een grote supermarkt geleid door vier of vijf bedrijven die vanuit de top van een wolkenkrabber de wetten en prijzen bepalen. Oude culturen en waardevolle alpenkaasjes, afgelegen dialecten en authentieke levensstijlen lopen het risico uitgewist te worden door een monocultuur die glimlachend efficiëntie en hygiëne, entertainment voor de massa en gecontroleerd en vreemd voedsel aanbiedt. We hebben de indruk dat zelfs ons land uitglijdt over dat gladde en geplastificeerde blad waarop woorden als succes, geld, en professionaliteit schreeuwen. Ook daarom vrezen we de uitslag van de volgende verkiezingen, die de laatste stap zouden kunnen zijn op weg naar het steriliseren van de geest. De schaaf en het schuurpapier zijn allang aan het werk, een harde hand erover en alles wordt gladgeschaafd.
Maar gelukkig produceert de menselijke aard altijd enthousiaste, misschien onzekere maar oprechte, kleine maar levendige illusies. Het symbool van dit alles is onze klaagmuur: het is die wand die we vinden in de betere boekhandel, zoals bijvoorbeeld in de Feltrinelli aan de Via Orlando, daar waar de duizenden tijdschriften die elke maand in Italië worden gedrukt, in rijen gerangschikt staan. Niet alleen de kleurige en verleidelijke exemplaren die we vinden in de kiosk: het gaat om semi-illegale bladen, geproduceerd met bloed en zweet van iemand die erin schrijft en erin gelooft, bundeltjes tijdschriften de drie jaar of een seizoen bestaan, die worden opgedoekt en weer nieuw leven ingeblazen krijgen en niet willen sterven. Ze hangen een beetje voorover als bloemen die al verwelken, iemand pakt ze, leest een pagina, zet ze terug. Het zijn zeldzame en bijzondere magazines die gaan over poëzie of over anarchie, over dans en film, over boeddhisme of tuinieren, buitenaards leven of de regionale keuken, over dromen en over niets. Achter elk van hen beeld ik me talloze vergaderingen voor van gepassioneerde mensen, die teksten en opmaak kiezen, die ruziën over een kleur of over een onderschrift, en vervolgens samen ergens gaan eten om verder te discussiëren en te hopen dat dit nummer beter is dan het vorige, en dat iemand het misschien opvalt. Vanuit deze vergeten wand toont zich een Italië waarmee niemand zich bezig houdt, een nieuwsgierig en vrij land. 


Marco Lodoli 2005.

Gevonden in 2007 (maar viel een beetje tegen...)




woensdag 9 maart 2016

54. De vriend (2): Largo dei Librari (p. 59-60)

Zo af en toe verschijnt in Rome uit het niets de gebruikelijke buitenlandse vriend om ons met een bezoek te vereren. "Hey, ciao, ik ben in de stad, wat zullen we vanavond eens doen, wat voor moois ga je me laten zien?" Ik zeg het hier even recht voor z'n raap: dat is onverwacht een fikse tegenslag. Van de stad heeft die vriend zowat alles gezien, het Colosseum, de Sint-Pieter, de Trevifontein, piazza Navona, maar ook de Aventijn en de San Clemente, ook de catacomben en het Foro Italico en zelfs de wijk Coppedè die we hem de laatste keer hebben laten zien. Maar toch is dat voor hem niet genoeg, hij wil ten minste één nieuwe herinnering mee naar huis nemen, iets bijzonders, een mooi stukje, een klein hoekje, een onvergetelijke ansichtkaart. "Dus, dear friend, wat heb je me deze keer te bieden?" We voelen de plicht hem niet teleur te stellen, maar ook de moeizame inspanning om weer een ander konijn uit de hoge hoed te toveren. We schuiven dus alle bezigheden maar aan de kant en - getverderrie - beginnen met het doorspitten van het plakboek met al onze herinneringen op zoek naar een speciaal plaatje, iets moois dat niet al te veel tijd in beslag neemt. We zouden het graag overleven met een aperitiefje, wat geklets en twee schaaltjes met olijven op een magisch plekje, en elkaar daarna pas weer zien over een jaar of tien. Musea, nee, ruïnes ook niet. Waarheen, waarheen?
De vriend belt opnieuw om de afspraak te bevestigen. "Dus, we zien elkaar bij, we zien elkaar bij..." Ah, gevonden. De Largo dei Librari, aan de Via dei Giubbonari, dat is een geschikte plek voor ons. Het is een perfect hoekje, het lijkt wel het toneel van een theater, met het kerkje van de Heilige Barbara als een edelsteen geklemd tussen de huizen aan het einde van het pleintje. Het lijkt Rome in het klein, barok van playmobiel, een mengelmoes van rust en chaos, van precisie en levenslustige wanorde. In de hoogte, naast de minigevel van de kerk en de blauwe lucht, zit een wegkwijnend raampje dat bij de schrijvers van de bohème wel in de smaak zou zijn gevallen, het lijkt op "la finestra a un passo dal cielo blu", het raam op korte afstand van de blauwe lucht, van dat oude zolderkamertje dat ooit werd bezongen door Paoli.


Maar Rome is niet alleen kunst of inspiratie. Op het pleintje zit een oud restaurantje, vermaard om zijn kabeljauwfilets, die in combinatie met een glas koele, witte wijn op je tong smelten. Om zeven uur 's avonds mengt alles samen tot ware perfectie, het kerkje, de kabeljauw, de wijn, de vertrouwelijke gesprekken. De vriend geniet van dit sprookjesachtige moment, zweert op z'n kinderen dat hij nog nooit zo gelukkig was, en zweert terug te keren naar Rome, volgende maand al.





Marco Lodoli 2005.

Gevonden in oktober 2013.