zaterdag 3 augustus 2013

51. Bioparco (p. 56-57)


Ooit heette het de Zoo van Rome: nu heet het Bioparco, Dierenpark. Behalve de naam is er meer veranderd, de huisvesting van de bruine beren bijvoorbeeld, die nu in een ruimere en prettigere omgeving leven, met veel kleine watervallen en groene velden; of het leven van sommige rare vogels, zoals de pauwen die als heren door het park wandelen en zich er soms zelfs buiten wagen, richting de grasvelden van de Villa Borghese. Maar er is nog steeds veel leed in die nauwe en wrede kooien, het doet me pijn in het hart de gorilla’s en de panters te zien, gevangen achter de tralies, duizenden kilometers ver van de open vlaktes van Afrika.

Om niet hun matte en gelaten blikken te hoeven kruisen, om niet de verantwoordelijkheid te voelen voor hun afschuwelijke leed en wanhopig gekrijs, sla ik lafhartig rechtsaf en haast ik me naar het reptielenhuis, een rond en stil gebouw, net een bunker. Daar binnen bewaart men ons meest verre verleden, daar wonen onze geschubde en sissende voorvaderen, de vroegere heersers over de wereld. Ze zitten opgesloten en roerloos in geraffineerde vitrinekasten achter glas, en soms denk je echt riemen van slangenhuiden en rare handtassen van pythonleer te zien, gelegd in een habitat bedacht door een of andere fantasierijke etaleur in de Via Condotti. Het zand is er met zorg uitgestrooid, er zijn uitgedroogde takken en minuscule ronde vijvertjes en in een hoek zitten die primitieve, opgerolde, monsterlijke levensvormen die namen hebben die je alleen tegenkomt in sprookjes: de skink van Algerije, de baardagame, het gilamonster, de vuurbuikpad, de matamata en de tomaatkikker. En dan, onverwacht, beweegt er iets, een hoofdje schiet heen en weer, twee kronkels verslappen wat, een staart is opgewonden en er loopt een rilling over onze rug tot ver in de nek, en niet alleen uit afgrijzen. Plotseling vangen we in die zwarte kraaloogjes een koude blik die in het donker nog intenser lijkt te schitteren, en hoezeer het ons ook absurd lijkt, we voelen dat die angstaanjagende grappen van de natuur deel van ons zijn, lijdend zonder te begrijpen waarom: dat deel blijft aan de andere kant van het kristal en lijkt ons aan te kijken en te benijden: jij, die kan weggaan, lopen, liefhebben, vergeet me niet, ik die hier achterblijf, begraven in deze huidschilfers, onder in de funderingen van het leven.

~Marco Lodoli 2005.
Gevonden in 2013. Pas op voor vlooien...


donderdag 1 augustus 2013

50. San Giovanni dei Fiorentini (p. 55-56)


Geduldige mensenslangen slingeren zich bij grote tentoonstellingen buiten rond de palazzi, en binnen pakt het publiek zich samen voor doeken uit de 20e eeuw of die van de Giustiniani-collectie, geeft commentaar of bewondert ze uitzinnig, loopt catalogi en kaarten en iemand zweert ze opnieuw te komen bekijken, want zoveel schoonheid kan men niet in één keer in zich opnemen, men loopt het risico op een overdosis.

Maar wij vinden het leuk om in ons eentje en op goed geluk nog wat verder te lopen, in verstofte hoekjes te snuffelen, te neuzen als truffelhonden. Een half uurtje en een beetje nieuwsgierigheid volstaan trouwens om meesterwerken te ontdekken waarvan het lijkt dat ze zich alleen maar hebben verstopt om ons te laten zoeken. Als ze het zouden kunnen, zouden ze naar ons komen, zo erg hebben ze er genoeg van om verstoken te blijven van een blik, hangend in vergetelheid, maar ze moeten wachten tot iemand die niets te doen heeft bijvoorbeeld de San Giovanni dei Fiorentini binnenloopt, misschien vandaag nog, en hun uit hun schuilplaats komt jagen.

Je hoeft alleen de onbezorgdheid van speleologen te hebben om af te dalen in de duisterste schaduw van die zijkapellen, in die grotten uit de 16e eeuw waar het licht schaars is en de figuren op de schilderijen spoken lijken die in de schijnwerkelijkheid ronddolen. Onder de vloer liggen Borromini en Maderno – onder andere de architect van de hoge maar kleine koepel die boven ons hoofd hangt, door de Romeinen liefkozend “besabbeld bruidsuikertje” genoemd – begraven en hun zielen bewegen zich misschien wel in het duister rond de schilderijen voort. In de kapel links van het altaar zit een lichtschakelaar: we drukken erop en een zwak lampje onthult twee heel mooie doeken met barstjes van Giovanni Lanfranco. Om ons heen zou de enorme menigte van die grote tentoonstellingen moeten zijn, mensen die duwen en trekken om ze beter te kunnen zien, maar we zijn alleen, bijna overgelukkig dat we alleen zijn. Vooral Het gebed in de tuin is een ontroerend werk, een piramide die als basis in een rode gloed de zeer menselijke slaap van de apostelen toont en aan de top in het wit het bovenmenselijke besef van Christus. “Wat een wonder” fluistert een gepensioneerde naast ons, en zijn hondje blaft, maar zachtjes, bijna alsof hij bang is de slapende apostelen wakker te maken. “Hier mogen dieren naar binnen,” – verzekert ons het baasje – “u weet niet hoeveel mooie schilderijen we bekijken en hoe we ’s zomers genieten van de koelte.”
Marco Lodoli 2005.
Gevonden in 2013.

49. Een bijzonder benzinestation (p. 54)


De laatste jaren is de achting voor anonieme ruimtes zonder onderscheidende kenmerken, die allemaal gelijk aan elkaar zijn in de hele wereld, buitenproportioneel gegroeid. De snelwegen, motels, vliegvelden, speelhallen, de restaurants van McDonald’s lijken wel plekken waar een mensheid huist die geen huis of tradities meer kent. Omdat we kijken naar videoclips en films nemen we het gedrag van mannen en vrouwen aan die elkaar ontmoeten en verliezen op de roltrappen van een warenhuis of in de gangen van een supermarkt, van New York tot Tokyo, van Milaan tot Berlijn. We zijn kinderen van een en dezelfde mensenmassa en de pas aangelegde pleinen waarop we leven herhalen zich saai in een reeks spiegels: tussen hier en daar is er geen onderscheid, slechts een vlak ontheemd gevoel absorbeert de verschillen. Het lijkt wel of dezelfde hand alle autogrills van het Westelijk Halfrond heeft ontworpen, en misschien heeft die hand ook wel al die ontelbare panini gesmeerd die daar allemaal gelijk aan de ander naast elkaar liggen uitgestald onder de toonbanken van staal. Ook onze eigen levensgeschiedenis loopt het angstaanjagende risico veel te lijken op die van een willekeurig ander persoon. Daarom staat het me wel aan om als eiland een Romeins benzinestation aan te wijzen dat lijkt op een archeologische vondst, het product van een tijdperk waarin de dingen misschien nog iets fantastisch voorstelden en deden alsof ze een eigen identiteit hadden. Komen we de stad in via de Flaminia, voorbij de buurt van de Rai en de tweesprong bij Tor di Quinto, vinden we rechts een wit met blauw benzinestation met zijn mooie maar kleine bar en zijn schuimende wasstraat. Het lijkt op een grote deken van gewapend beton, of op een gigantische broodrooster, z’n deksel-afdak omhooggehouden door vier golven die zich oprichten en weer laten zakken. Als er we stoppen voor een volle tank kunnen we ons gemakkelijk Gassman en Trintignant in hun mythische spider voor de geest halen, en in de bar de sympathieke bedriegers uit de film Bidone van Fellini, bezig om een of ander oplichtingzaakje op te zetten. Het lijkt wel alsof die liters brandstof ons zullen brengen naar de Kursaal bij Ostia of onder een rieten afdakje van een of ander restaurantje uit de jaren ’60 aan de Tyrrheense kust. Omdat het zo mooi is en verhaalt over zoveel vrijheid zou dit benzinestationnetje beschermd moeten worden als een monument, als een uitzondering, die lacht om alle regels.



Marco Lodoli 2005.

Niet gevonden, zelfs niet met Google Earth; of het moet deze zijn maar dan inmiddels in andere kleuren vanwege een overname...




zondag 7 juli 2013

48. Sint Paulus binnen de Muren (p. 52-53)


In de Via Nazionale staat een kerk waarvan wij, opgeslokt door het verkeer, altijd slechts een glimp opvangen: de Sint Paulus binnen de Muren. De gevel uit de 19e eeuw, bruin geworden door de uitlaatgassen van de auto’s, herhaalt bepaalde motieven van de Toscaanse Gotiek en lijkt niet veel bijzonders te beloven.

We houden halt en gaan naar binnen, er wachten ons een mooie verrassing en een schandaal, afbeeldingen die onze ogen met tranen zullen vullen en wat bedaarde manieren van denken zullen wegnemen.

Achter het altaar, in de grote ruimte van de apsis, bevinden zich de meest bijzondere mozaïeken van de school van de prerafaëlieten, van de hand van Edward Burne-Jones. Vandaag, om pure schoonheid aan te duiden gebruiken we nog het kinderachtige, bijna ontzielde adjectief prerafaëlitisch. Deze kunststroming was in Engeland ongeveer halverwege de 19e eeuw opgekomen en wilde zich verzetten tegen de ruwheid van de geïndustrialiseerde samenleving, in een poging om een antieke schilderkunst, nog voorafgaand aan de renaissance, in ere te herstellen, een stroming die in staat was om de spirituele Middeleeuwse waarden te bewaren. De meest beroemde vertegenwoordigers van deze stroming waren Dante Gabriele Rossetti, schilder en vertaler van stilnovo-dichters, Everett Millais en jazeker, Burne-Jones. Natuurlijk hangen hun doeken in galeries in Londen en Manchester, en in talloze musea in Noord-Europa. Maar in Rome laten we het ons, ten minste voor zover het kunst betreft, aan niets ontbreken, en zo hebben we ook van de prerafaëlieten ons mooie meesterwerk. Het is een wonderbaarlijke compositie waarmee de fundamentele symbolen van het Christendom zijn weergegeven: daarboven is de Verlosser, zijn armen uitgestrekt voor de Boom der Kennis, tussen Adam en Eva en hun eerste zoon; wat meer naar beneden zijn engelen en aartsengelen van verschillende grootte en waarde; nog verder eronder is de Hemelse Stad en vijf groepen figuren: asceten, nederige vrouwen vol geloof, de kerkvaders, heiligen en krijgsmannen, waartussen de profielen van Abraham Lincoln en Garibaldi onverwacht opvallen. Te midden van dit alles, voor het zegenen en om eenheid te geven aan deze heilige heksenketel, is daar een weergave van God met de wereld in zijn hand. Hoe langer we het bekijken, hoe meer we ons verbazen en beetje bij beetje worden onze gedachten merkwaardigerwijs opgeschud; want die God, gelooft u mij, is een vrouw.
 
Marco Lodoli 2005.
 
Gevonden in 2013.


 

zaterdag 6 juli 2013

47. Het lelijke beeld van Leo X (p. 52)


Laten we over de 122 treden van de Ara Coeli naar boven klauteren, tot aan de top van de heuvel. De klim beneemt ons de adem en ontlokt ons een enkele vloek, omdat we ons met al dat overgewicht van te zware mensen kastijden: maar het is gelukt, het is gelukt! Voorovergebogen komen we op adem en we gaan de kerk binnen. Rechts is een kapel die op schitterende wijze is voorzien van fresco’s van Pinturicchio; aan de linkerkant de kerststal met de kopie van het beroemde Kindeke versierd met juwelen dat een paar jaar geleden achterover werd gedrukt: we werpen er toch maar een blik op, we prijzen het hartstochtelijk, maar dan schieten we recht op ons doel af, naar de linkerhoek bij het altaar.

Daar, gehuld in de schaduw, wacht ons het grootste en meest belachelijke obesitasmonument dat ooit is gemaakt, een beeld dat nogal wat eeuwen vooruitloopt op de zeer grappige vetzakken van Botero. Dit is een beeldhouwwerk uit 1520, een werk van een zekere Domenico Aimo, en het stelt paus Leo X voor. Heeft ergernis of onkunde de beitel van de kunstenaar doen bewegen? Hoe is het mogelijk dat in de tijd waarin hij regeerde, tegengesteld aan het schoonheidsideaal en het idee van harmonie, in het Rome van Rafaël en Bramante, de paus zich liet vereeuwigen als een onsterfelijke dikzak, een weegschaalwanhopige, een vat lichaamsvet in marmer? Leo X was, behalve nepotistisch, konkelaar en handelaar in aflaten, ook een oprecht beschermer van schoonheid, hij kende en hielp de besten onder de kunstenaars en schrijvers: waarom keurde hij het dan goed om te worden afgebeeld als een onbedwingbare en dikhuidige lobbes? Een antwoord is er niet, maar dit lelijke beeld roept bij ons een glimlach op en helpt ons eraan te denken, ondanks de richtlijnen van gezondheidsfreaks, hoe aangenaam het is om ons af en toe te onttrekken aan de onverdraaglijke lichtzinnigheid van het bestaan, te vluchten in een trattoria en zonder berouw achteraf extra kilo’s op onze taille toe te voegen.
Marco Lodoli 2005.
Gevonden in 2011.





46. Via dei Ruderi di Casa Calda (p. 50-51)


Op welke plek in Rome zou vanavond het goddelijke kindje geboren kunnen worden? Welke vochtige grot of eenzaam bankje of ellendige garage door zijn verschijning kunnen worden gezegend? Boven welke ijskoude hoek van de stad zou die kometenster kunnen schijnen om de blikken en de voetstappen van eenvoudige mensen te leiden?

Ik beeld me in dat Jozef en Maria, na zoveel te hebben gereisd op zoek naar beschutting, zich net voor middernacht zullen bevinden aan de voet van de helling bij de Via dei Ruderi di Casa Calda, bij Torre Maura. Die naam zal misschien hun laatste hoop aanwakkeren, de illusie van een huis en van een aangename warmte zal hen tot aan de verbreding op de heuvel aansporen, tussen onsamenhangende resten van een antieke toren en fantastische silhouetten van twee boerderijen van weleer. Misschien moeten ze om een hoekje vechten met één van de zwervers die hierboven komen om te drinken en zichzelf wat aan te doen, misschien moeten ze in het duister van de hemel hun kamertje ontdoen van kapotte flessen en karkassen van scooters.

Het zal geen gemakkelijke nacht worden, enkele uren zullen alleen kou en angst gezelschap bieden aan het jonge paar en hun pasgeboren kind. Duizend angstspoken, kruipend tot die winderige bergtop, tot die breekbare tederheid, zullen hun rust bedreigen. Maar de dageraad brengt als geschenk een onverwacht landschap, perfect, zoals geen simpele ziel zou kunnen verzinnen. Jozef zal met zijn pasgeboren zoon opstaan om de benen te strekken, in z’n mond een gedoofde peuk, rond het kind een oude wollen sjaal: en hij zal glimlachen van verbazing als hij aan de voet van de heuvels, daar in het midden van de metropolis, beploegde akkers, wijngaarden, boomgaarden, en nog verder weg de bogen van een Romeins aquaduct en witte kuddes tegen de achtergrond van flats aan de randen van de stad zal zien, terwijl op straat de eerste auto’s zich rokend in de kou zullen haasten. Op het terrein ernaast zal Jozef een enorme wilde vijgenboom zien, gegroeid tegen een grote kuip die bedoeld is voor irrigatie, een wonderbaarlijke boom zonder gelijken, die hem zal doen denken aan Palestina en aan het leven dat dapper ontspruit en waar dan ook vecht voor zijn bestaan. Hij zal richting de hut herders en klaplopers zien klimmen, boeren en zwervers, opgesteld als kleine beeldjes in die heel mooie kerststal.
 
Marco Lodoli 2005.


Gevonden in 2013.

 
 

donderdag 4 juli 2013

45. De Autogrill (p. 49-50)


Een van de tempels van de huidige tijdgeest – een plaats overal identiek, vaderland zonder vlag, meelijwekkend niemandsland – is de Autogrill. Kinderen die de ruimtes, overladen met knuffels en chocoladerepen, ballen en snoepkettingen, adoreren, stropen de gangen af op jacht naar mini-shopping-orgasmes” zoals Andrea Zanzotto ze noemt. Maar de Autogrill valt ook in de smaak bij volwassenen, die een minuut lang de spanning van de reis achter zich laten en beschutting vinden tegen die gemetalliseerde desks waar niemand je herkent en niemand je vragen stelt.

In de Autogrill hoeven we nergens rekening mee te houden, de caissière vindt nooit dat we ouder zijn geworden of dat we nerveus zijn, voor even zijn we alleen mensen die zich hebben losgemaakt van de verkeersstroom om naar adem te happen. We kopen de krant en misschien ook een lootje, want we weten dat men daar miljardairslotjes verkoopt en dat we nooit zullen worden herkend.

Ook Rome bezit nu zijn goede oude Autogrills, en heeft ze als rivierhavens gerangschikt aan de Grande Raccordo, onze Ganges. Die ene waar ik elke ochtend stop, heet Casilina Interna en is bijzonder gelijk aan alle andere. Voor de toog wisselen honderden mensen elkaar af, ieder vraagt naar zijn eigen koffie, slaan hem achterover en verdwijnen weer. Evengoed is het interessant om in die vluchtige momenten te ontdekken in welke mate elk individu kind is van zijn verlangens, van zijn meest persoonlijke neigingen. Een caffé lungo, vraagt de heer rechts; beetje melk erbij, vraagt een ander; in een glas, met schuim, verlangt de derde. Het is een catalogus vol verschillen: een caffé corretto met anijslikeur of sambuca, met koude of kokende melk, in een grote mok, heel erg sterk, een dubbele, een tripel, met gerst, met melk apart, met veel suiker, zonder suiker, met een zoetje; en verder zijn er oneindig veel varianten op cappuccino en cafféllatte, als een heel breekbaar maar onschendbaar evenwicht om te verdedigen, op het gevaar van ruzies en afwijzingen af. In wezen ontdekt men op de bodem van elk kopje ene persoonlijkheid, een leven dat beweert niet verward of gelijkmatig te zijn. Om 7 uur ’s ochtends ontdekken we in elke anonieme Autogrill van de wereld in hoeverre we allemaal gelijk zijn, en in hoeverre we onverzettelijk verschillend zijn.
 
Marco Lodoli 2005.
 
Gevonden in 2013.


 


44. De Obelisk van het Licht (p. 48-49)


Piazza dei Cinquecento is een open plek waar iedereen langskomt en verder gaat: mensen rennen met hun koffer in de hand naar het station, of ze zijn net aangekomen en snellen weg in een bus of taxi, en het leven deelt zich op in alle richtingen. In die chaos is er geen tijd om te blijven staan om rond te kijken. Sinds een jaar heeft zich echter, op de stoep midden op het plein, de Obelisk van Licht vastgepind, een nogal hoge zuil van aluminium en doorzichtig plastic die, gericht naar de hemel, uitloopt in een punt. Ook zij die net de trein hebben gemist kunnen niet eventjes een blik werpen op dat puntige stuk speelgoed dat zich vult met wisselende kleuren en dat doet denken aan een raket, ready for take-off. Wat is het, waar dient het voor, wat zijn die nummers die op zijn zijpanelen verschijnen?

Om er iets van te begrijpen moeten we dichterbij komen en de zinnen die op de basis zijn gegraveerd lezen. “Bestaat er een mogelijkheid dat de mens zich kan bevrijden van het noodlot van de oorlog? Het beantwoorden van deze vraag is een kwestie van leven en dood geworden voor de samenleving zoals wij die kennen”: het zijn woorden die komen uit een brief die Einstein aan Freud schreef in ’32, en daarnaast staat een gedachte van Johannes Paulus II over vrede en andere ideeën van dezelfde aard. Nadat we het lang bestudeerd hebben, vermoeden we dat de Obelisk van Licht de taak heeft om aan de stad “het afnemende aantal megatonners, die nog actief zijn op basis van de verwachtingspatronen genoemd in de internationale akkoorden, Start I en Start II” aan te geven. Nu zijn het nog 13726 atoombommen die ons bedreigen, maar het aantal zou moeten dalen.

Onverschillig over het lot van de mensheid lopen uitgemergelde jongemannen rond de obelisk die steeds maar vragen: “Hedde gij unnen euro voor ‘n broodje?” Maar eentje die qua aanblik er wat minder slecht aan toe is, zegt me: “Dees is ‘t monument veur ‘t onbekende gif, ziede gij nie da da ‘n injectiespuit is? Kèk, dees is ons monument.” Het is waar, het lijkt precies op een enorme spuit die vol zit met verdovende middelen! “O, ziede gij da cijfer hier? Da bennen wij, elke ochtend spat d’r inne uit elkaar en die wissen hun dan oit, da motte geleuve, en gif me nou unnen euro, want mergen wissen hun mèn misschien ôk oit.”'
 
Marco Lodoli 2005.
 
Inmiddels ontmanteld.




maandag 24 juni 2013

43. De Zeppelin (p. 47-48)


Op bepaalde dagen is de lucht in Rome buitengewoon warm en regenachtig: we richten onze blik omhoog en vinden gekartelde wolken die zich langzaam maar zeker samenpakken of oplossen, en het licht versombert tussen die wanordelijke zwarte gordijnen. We kijken naar de lucht om te proberen te begrijpen wat we vandaag moeten aantrekken, want misschien gaat het nog regenen vanmiddag en misschien wordt het nog warmer. Maar af en toe, terwijl we met onze neus in de lucht in onzekerheid blijven, verrast ons een verschijning die ons afleidt, onze aandacht vervliegt naar het grote luchtschip dat weer is begonnen met drijven in de lucht boven de stad. Het heeft jaren geduurd dat hij zich niet meer liet zien, ze zeiden dat hij voor altijd uit de lucht was gehaald, maar daar is hij weer, met zijn opschrift in het Engels om ons een Gelukkig Nieuwjaar te wensen en goede tentzeilen om waar dan ook heen te reizen.

In onze gedachten komen flarden van herinneringen terug, foto’s en filmbeelden uit lang vervlogen tijden: de enorme bombarderende zeppelins uit de Eerste Wereldoorlog, in brand gezet na voltreffers door de luchtafweer, die later terecht zijn gekomen op de hoezen van beroemde rockplaten; of de avontuurlijke luchtschepen van de poolexpedities door Amundsen en Nobile, neergeworpen door ijsstormen. Een zeer mooi bordje in de Via Montezebio, daar waar Nobile de laatste jaren van zijn leven heeft doorgebracht, herinnert nog aan die moeilijke en ongelukkig afgelopen ondernemingen. De geschiedenis heeft die vliegende reuzen in ongenade laten stikken, langzaam en onhandig als prehistorische dieren: in de lucht lossen nu de sporen van jets op en kinderen wijzen ook niet meer naar overvliegende vliegtuigen. Maar ons luchtschip vangt onze blik zoals sommige rare vissen in een aquarium dat doen, we bekijken hem wanneer hij aan de rand van de blauwe lucht of tussen de donkere wolken zwenkt, wanneer hij zich doelloos maar fantastisch naar voren en naar achteren voortbeweegt.

Wie weet wie hem bestuurt, met welke hendels en met welke bevelen, met welke bemanning. Men begint bijna te denken dat dit monster uit zichzelf beweegt, zonder grotere plannen en zonder meer dan drang om door de gevaarlijke luchten te reizen. Hij is hier, vol geschiedenis en geografie, voldaan en verveeld als een oude zonderling die te veel heeft gezien: hij bekijkt Rome vanuit de hoogte vanuit zijn kleine hemel, hij vindt zijn bestaansrecht in het verspreiden van reclameslogans, en wij bekijken hem vanaf de grond, met veel respect.
 
Il primo viaggio dello Zeppelin in Italia

42. De lelijke Mattheüs van Cobaert (p. 46-47)


Ik hoop dat iemand zich een van de meest poëtische films van de laatste jaren herinnert, "Ed Wood" van Tim Burton. Het was geen groot succes en dat is jammer, want de film vertelt op een ontroerende en lachwekkende wijze over het leven van iemand, die door een wreed referendum van cineasten is verkozen tot de slechtste regisseur aller tijden. Ed Wood maakte een paar films, allemaal even rampzalig, maar dat neemt niet weg dat hij een gepassioneerde artiest was, aan de film gewijd met een ijver die wij alleen toekennen aan genieën.

Ook in Rome in de Renaissance, in de tijd van onbeperkte talenten, was er een Ed Wood. Hij heette Jacob Cobaert, Copé genoemd, hij kwam uit de Nederlanden en streefde ernaar de beeldhouwkunst te leren in de buurt van de grote meesters. Hij bracht zijn leven door met het maken van modellen voor edelsmeden en ivoorsnijders, en ondertussen koesterde hij zijn beeldhouwdroom. Meer dan dertig jaar besteedde hij al zijn verborgen energie aan het maken van één uniek werk, een Heilige Mattheüs, in opdracht van de monniken van de San Luigi dei Francesi. Zijn biograaf schreef als volgt: “Om dit beeld te maken spendeerde Cobaert alle tijd van zijn leven, en zoals lieden die geen ervaring hadden met marmer, liet hij het aan geen enkel ander zien, hij kon er ook niet met zijn handen vanaf blijven en hij wilde geen raad of hulp van een ander krijgen...” Meer dan dertig jaar hakwerk en vasthoudendheid en toen het beeld uiteindelijk werd getoond aan de opdrachtgevers werd het meteen afgewezen omdat het lomp en slecht gelukt was. De andere kunstenaars produceerden het ene meesterwerk na het andere met het gemak van iemand die weet hoe het moet, terwijl Copé zich helemaal gaf aan een enkel gedrocht. Het kan niet zo zijn dat men geen sympathie voelt voor zo’n absoluut en ruïneus vertrouwen, en het lelijkste beeld van de Renaissance moet je beslist gaan zien, om Copé te compenseren voor die verschrikkelijke frustratie.

Vandaag staat die Heilige Mattheüs in de kerk van de Trinità dei Pellegrini, op Piazza de’ Pellegrini. Het is een marmeren delirium, een scheef, onvergetelijke figuur vol krullen. Naast de kerk ligt het hospice waar in 1849 de held Goffredo Mameli stierf aan zijn verwondingen, een andere kunstenaar die zijn naam heeft verbonden aan een houterig kunstwerk: maar soms tellen de inspanningen zwaarder dan het resultaat, en we houden toevallig ook van nobele mislukkingen.


Marco Lodoli 2005.

Gevonden in 2010.