zondag 7 juli 2013

48. Sint Paulus binnen de Muren (p. 52-53)


In de Via Nazionale staat een kerk waarvan wij, opgeslokt door het verkeer, altijd slechts een glimp opvangen: de Sint Paulus binnen de Muren. De gevel uit de 19e eeuw, bruin geworden door de uitlaatgassen van de auto’s, herhaalt bepaalde motieven van de Toscaanse Gotiek en lijkt niet veel bijzonders te beloven.

We houden halt en gaan naar binnen, er wachten ons een mooie verrassing en een schandaal, afbeeldingen die onze ogen met tranen zullen vullen en wat bedaarde manieren van denken zullen wegnemen.

Achter het altaar, in de grote ruimte van de apsis, bevinden zich de meest bijzondere mozaïeken van de school van de prerafaëlieten, van de hand van Edward Burne-Jones. Vandaag, om pure schoonheid aan te duiden gebruiken we nog het kinderachtige, bijna ontzielde adjectief prerafaëlitisch. Deze kunststroming was in Engeland ongeveer halverwege de 19e eeuw opgekomen en wilde zich verzetten tegen de ruwheid van de geïndustrialiseerde samenleving, in een poging om een antieke schilderkunst, nog voorafgaand aan de renaissance, in ere te herstellen, een stroming die in staat was om de spirituele Middeleeuwse waarden te bewaren. De meest beroemde vertegenwoordigers van deze stroming waren Dante Gabriele Rossetti, schilder en vertaler van stilnovo-dichters, Everett Millais en jazeker, Burne-Jones. Natuurlijk hangen hun doeken in galeries in Londen en Manchester, en in talloze musea in Noord-Europa. Maar in Rome laten we het ons, ten minste voor zover het kunst betreft, aan niets ontbreken, en zo hebben we ook van de prerafaëlieten ons mooie meesterwerk. Het is een wonderbaarlijke compositie waarmee de fundamentele symbolen van het Christendom zijn weergegeven: daarboven is de Verlosser, zijn armen uitgestrekt voor de Boom der Kennis, tussen Adam en Eva en hun eerste zoon; wat meer naar beneden zijn engelen en aartsengelen van verschillende grootte en waarde; nog verder eronder is de Hemelse Stad en vijf groepen figuren: asceten, nederige vrouwen vol geloof, de kerkvaders, heiligen en krijgsmannen, waartussen de profielen van Abraham Lincoln en Garibaldi onverwacht opvallen. Te midden van dit alles, voor het zegenen en om eenheid te geven aan deze heilige heksenketel, is daar een weergave van God met de wereld in zijn hand. Hoe langer we het bekijken, hoe meer we ons verbazen en beetje bij beetje worden onze gedachten merkwaardigerwijs opgeschud; want die God, gelooft u mij, is een vrouw.
 
Marco Lodoli 2005.
 
Gevonden in 2013.


 

zaterdag 6 juli 2013

47. Het lelijke beeld van Leo X (p. 52)


Laten we over de 122 treden van de Ara Coeli naar boven klauteren, tot aan de top van de heuvel. De klim beneemt ons de adem en ontlokt ons een enkele vloek, omdat we ons met al dat overgewicht van te zware mensen kastijden: maar het is gelukt, het is gelukt! Voorovergebogen komen we op adem en we gaan de kerk binnen. Rechts is een kapel die op schitterende wijze is voorzien van fresco’s van Pinturicchio; aan de linkerkant de kerststal met de kopie van het beroemde Kindeke versierd met juwelen dat een paar jaar geleden achterover werd gedrukt: we werpen er toch maar een blik op, we prijzen het hartstochtelijk, maar dan schieten we recht op ons doel af, naar de linkerhoek bij het altaar.

Daar, gehuld in de schaduw, wacht ons het grootste en meest belachelijke obesitasmonument dat ooit is gemaakt, een beeld dat nogal wat eeuwen vooruitloopt op de zeer grappige vetzakken van Botero. Dit is een beeldhouwwerk uit 1520, een werk van een zekere Domenico Aimo, en het stelt paus Leo X voor. Heeft ergernis of onkunde de beitel van de kunstenaar doen bewegen? Hoe is het mogelijk dat in de tijd waarin hij regeerde, tegengesteld aan het schoonheidsideaal en het idee van harmonie, in het Rome van Rafaël en Bramante, de paus zich liet vereeuwigen als een onsterfelijke dikzak, een weegschaalwanhopige, een vat lichaamsvet in marmer? Leo X was, behalve nepotistisch, konkelaar en handelaar in aflaten, ook een oprecht beschermer van schoonheid, hij kende en hielp de besten onder de kunstenaars en schrijvers: waarom keurde hij het dan goed om te worden afgebeeld als een onbedwingbare en dikhuidige lobbes? Een antwoord is er niet, maar dit lelijke beeld roept bij ons een glimlach op en helpt ons eraan te denken, ondanks de richtlijnen van gezondheidsfreaks, hoe aangenaam het is om ons af en toe te onttrekken aan de onverdraaglijke lichtzinnigheid van het bestaan, te vluchten in een trattoria en zonder berouw achteraf extra kilo’s op onze taille toe te voegen.
Marco Lodoli 2005.
Gevonden in 2011.





46. Via dei Ruderi di Casa Calda (p. 50-51)


Op welke plek in Rome zou vanavond het goddelijke kindje geboren kunnen worden? Welke vochtige grot of eenzaam bankje of ellendige garage door zijn verschijning kunnen worden gezegend? Boven welke ijskoude hoek van de stad zou die kometenster kunnen schijnen om de blikken en de voetstappen van eenvoudige mensen te leiden?

Ik beeld me in dat Jozef en Maria, na zoveel te hebben gereisd op zoek naar beschutting, zich net voor middernacht zullen bevinden aan de voet van de helling bij de Via dei Ruderi di Casa Calda, bij Torre Maura. Die naam zal misschien hun laatste hoop aanwakkeren, de illusie van een huis en van een aangename warmte zal hen tot aan de verbreding op de heuvel aansporen, tussen onsamenhangende resten van een antieke toren en fantastische silhouetten van twee boerderijen van weleer. Misschien moeten ze om een hoekje vechten met één van de zwervers die hierboven komen om te drinken en zichzelf wat aan te doen, misschien moeten ze in het duister van de hemel hun kamertje ontdoen van kapotte flessen en karkassen van scooters.

Het zal geen gemakkelijke nacht worden, enkele uren zullen alleen kou en angst gezelschap bieden aan het jonge paar en hun pasgeboren kind. Duizend angstspoken, kruipend tot die winderige bergtop, tot die breekbare tederheid, zullen hun rust bedreigen. Maar de dageraad brengt als geschenk een onverwacht landschap, perfect, zoals geen simpele ziel zou kunnen verzinnen. Jozef zal met zijn pasgeboren zoon opstaan om de benen te strekken, in z’n mond een gedoofde peuk, rond het kind een oude wollen sjaal: en hij zal glimlachen van verbazing als hij aan de voet van de heuvels, daar in het midden van de metropolis, beploegde akkers, wijngaarden, boomgaarden, en nog verder weg de bogen van een Romeins aquaduct en witte kuddes tegen de achtergrond van flats aan de randen van de stad zal zien, terwijl op straat de eerste auto’s zich rokend in de kou zullen haasten. Op het terrein ernaast zal Jozef een enorme wilde vijgenboom zien, gegroeid tegen een grote kuip die bedoeld is voor irrigatie, een wonderbaarlijke boom zonder gelijken, die hem zal doen denken aan Palestina en aan het leven dat dapper ontspruit en waar dan ook vecht voor zijn bestaan. Hij zal richting de hut herders en klaplopers zien klimmen, boeren en zwervers, opgesteld als kleine beeldjes in die heel mooie kerststal.
 
Marco Lodoli 2005.


Gevonden in 2013.

 
 

donderdag 4 juli 2013

45. De Autogrill (p. 49-50)


Een van de tempels van de huidige tijdgeest – een plaats overal identiek, vaderland zonder vlag, meelijwekkend niemandsland – is de Autogrill. Kinderen die de ruimtes, overladen met knuffels en chocoladerepen, ballen en snoepkettingen, adoreren, stropen de gangen af op jacht naar mini-shopping-orgasmes” zoals Andrea Zanzotto ze noemt. Maar de Autogrill valt ook in de smaak bij volwassenen, die een minuut lang de spanning van de reis achter zich laten en beschutting vinden tegen die gemetalliseerde desks waar niemand je herkent en niemand je vragen stelt.

In de Autogrill hoeven we nergens rekening mee te houden, de caissière vindt nooit dat we ouder zijn geworden of dat we nerveus zijn, voor even zijn we alleen mensen die zich hebben losgemaakt van de verkeersstroom om naar adem te happen. We kopen de krant en misschien ook een lootje, want we weten dat men daar miljardairslotjes verkoopt en dat we nooit zullen worden herkend.

Ook Rome bezit nu zijn goede oude Autogrills, en heeft ze als rivierhavens gerangschikt aan de Grande Raccordo, onze Ganges. Die ene waar ik elke ochtend stop, heet Casilina Interna en is bijzonder gelijk aan alle andere. Voor de toog wisselen honderden mensen elkaar af, ieder vraagt naar zijn eigen koffie, slaan hem achterover en verdwijnen weer. Evengoed is het interessant om in die vluchtige momenten te ontdekken in welke mate elk individu kind is van zijn verlangens, van zijn meest persoonlijke neigingen. Een caffé lungo, vraagt de heer rechts; beetje melk erbij, vraagt een ander; in een glas, met schuim, verlangt de derde. Het is een catalogus vol verschillen: een caffé corretto met anijslikeur of sambuca, met koude of kokende melk, in een grote mok, heel erg sterk, een dubbele, een tripel, met gerst, met melk apart, met veel suiker, zonder suiker, met een zoetje; en verder zijn er oneindig veel varianten op cappuccino en cafféllatte, als een heel breekbaar maar onschendbaar evenwicht om te verdedigen, op het gevaar van ruzies en afwijzingen af. In wezen ontdekt men op de bodem van elk kopje ene persoonlijkheid, een leven dat beweert niet verward of gelijkmatig te zijn. Om 7 uur ’s ochtends ontdekken we in elke anonieme Autogrill van de wereld in hoeverre we allemaal gelijk zijn, en in hoeverre we onverzettelijk verschillend zijn.
 
Marco Lodoli 2005.
 
Gevonden in 2013.


 


44. De Obelisk van het Licht (p. 48-49)


Piazza dei Cinquecento is een open plek waar iedereen langskomt en verder gaat: mensen rennen met hun koffer in de hand naar het station, of ze zijn net aangekomen en snellen weg in een bus of taxi, en het leven deelt zich op in alle richtingen. In die chaos is er geen tijd om te blijven staan om rond te kijken. Sinds een jaar heeft zich echter, op de stoep midden op het plein, de Obelisk van Licht vastgepind, een nogal hoge zuil van aluminium en doorzichtig plastic die, gericht naar de hemel, uitloopt in een punt. Ook zij die net de trein hebben gemist kunnen niet eventjes een blik werpen op dat puntige stuk speelgoed dat zich vult met wisselende kleuren en dat doet denken aan een raket, ready for take-off. Wat is het, waar dient het voor, wat zijn die nummers die op zijn zijpanelen verschijnen?

Om er iets van te begrijpen moeten we dichterbij komen en de zinnen die op de basis zijn gegraveerd lezen. “Bestaat er een mogelijkheid dat de mens zich kan bevrijden van het noodlot van de oorlog? Het beantwoorden van deze vraag is een kwestie van leven en dood geworden voor de samenleving zoals wij die kennen”: het zijn woorden die komen uit een brief die Einstein aan Freud schreef in ’32, en daarnaast staat een gedachte van Johannes Paulus II over vrede en andere ideeën van dezelfde aard. Nadat we het lang bestudeerd hebben, vermoeden we dat de Obelisk van Licht de taak heeft om aan de stad “het afnemende aantal megatonners, die nog actief zijn op basis van de verwachtingspatronen genoemd in de internationale akkoorden, Start I en Start II” aan te geven. Nu zijn het nog 13726 atoombommen die ons bedreigen, maar het aantal zou moeten dalen.

Onverschillig over het lot van de mensheid lopen uitgemergelde jongemannen rond de obelisk die steeds maar vragen: “Hedde gij unnen euro voor ‘n broodje?” Maar eentje die qua aanblik er wat minder slecht aan toe is, zegt me: “Dees is ‘t monument veur ‘t onbekende gif, ziede gij nie da da ‘n injectiespuit is? Kèk, dees is ons monument.” Het is waar, het lijkt precies op een enorme spuit die vol zit met verdovende middelen! “O, ziede gij da cijfer hier? Da bennen wij, elke ochtend spat d’r inne uit elkaar en die wissen hun dan oit, da motte geleuve, en gif me nou unnen euro, want mergen wissen hun mèn misschien ôk oit.”'
 
Marco Lodoli 2005.
 
Inmiddels ontmanteld.




maandag 24 juni 2013

43. De Zeppelin (p. 47-48)


Op bepaalde dagen is de lucht in Rome buitengewoon warm en regenachtig: we richten onze blik omhoog en vinden gekartelde wolken die zich langzaam maar zeker samenpakken of oplossen, en het licht versombert tussen die wanordelijke zwarte gordijnen. We kijken naar de lucht om te proberen te begrijpen wat we vandaag moeten aantrekken, want misschien gaat het nog regenen vanmiddag en misschien wordt het nog warmer. Maar af en toe, terwijl we met onze neus in de lucht in onzekerheid blijven, verrast ons een verschijning die ons afleidt, onze aandacht vervliegt naar het grote luchtschip dat weer is begonnen met drijven in de lucht boven de stad. Het heeft jaren geduurd dat hij zich niet meer liet zien, ze zeiden dat hij voor altijd uit de lucht was gehaald, maar daar is hij weer, met zijn opschrift in het Engels om ons een Gelukkig Nieuwjaar te wensen en goede tentzeilen om waar dan ook heen te reizen.

In onze gedachten komen flarden van herinneringen terug, foto’s en filmbeelden uit lang vervlogen tijden: de enorme bombarderende zeppelins uit de Eerste Wereldoorlog, in brand gezet na voltreffers door de luchtafweer, die later terecht zijn gekomen op de hoezen van beroemde rockplaten; of de avontuurlijke luchtschepen van de poolexpedities door Amundsen en Nobile, neergeworpen door ijsstormen. Een zeer mooi bordje in de Via Montezebio, daar waar Nobile de laatste jaren van zijn leven heeft doorgebracht, herinnert nog aan die moeilijke en ongelukkig afgelopen ondernemingen. De geschiedenis heeft die vliegende reuzen in ongenade laten stikken, langzaam en onhandig als prehistorische dieren: in de lucht lossen nu de sporen van jets op en kinderen wijzen ook niet meer naar overvliegende vliegtuigen. Maar ons luchtschip vangt onze blik zoals sommige rare vissen in een aquarium dat doen, we bekijken hem wanneer hij aan de rand van de blauwe lucht of tussen de donkere wolken zwenkt, wanneer hij zich doelloos maar fantastisch naar voren en naar achteren voortbeweegt.

Wie weet wie hem bestuurt, met welke hendels en met welke bevelen, met welke bemanning. Men begint bijna te denken dat dit monster uit zichzelf beweegt, zonder grotere plannen en zonder meer dan drang om door de gevaarlijke luchten te reizen. Hij is hier, vol geschiedenis en geografie, voldaan en verveeld als een oude zonderling die te veel heeft gezien: hij bekijkt Rome vanuit de hoogte vanuit zijn kleine hemel, hij vindt zijn bestaansrecht in het verspreiden van reclameslogans, en wij bekijken hem vanaf de grond, met veel respect.
 
Il primo viaggio dello Zeppelin in Italia

42. De lelijke Mattheüs van Cobaert (p. 46-47)


Ik hoop dat iemand zich een van de meest poëtische films van de laatste jaren herinnert, "Ed Wood" van Tim Burton. Het was geen groot succes en dat is jammer, want de film vertelt op een ontroerende en lachwekkende wijze over het leven van iemand, die door een wreed referendum van cineasten is verkozen tot de slechtste regisseur aller tijden. Ed Wood maakte een paar films, allemaal even rampzalig, maar dat neemt niet weg dat hij een gepassioneerde artiest was, aan de film gewijd met een ijver die wij alleen toekennen aan genieën.

Ook in Rome in de Renaissance, in de tijd van onbeperkte talenten, was er een Ed Wood. Hij heette Jacob Cobaert, Copé genoemd, hij kwam uit de Nederlanden en streefde ernaar de beeldhouwkunst te leren in de buurt van de grote meesters. Hij bracht zijn leven door met het maken van modellen voor edelsmeden en ivoorsnijders, en ondertussen koesterde hij zijn beeldhouwdroom. Meer dan dertig jaar besteedde hij al zijn verborgen energie aan het maken van één uniek werk, een Heilige Mattheüs, in opdracht van de monniken van de San Luigi dei Francesi. Zijn biograaf schreef als volgt: “Om dit beeld te maken spendeerde Cobaert alle tijd van zijn leven, en zoals lieden die geen ervaring hadden met marmer, liet hij het aan geen enkel ander zien, hij kon er ook niet met zijn handen vanaf blijven en hij wilde geen raad of hulp van een ander krijgen...” Meer dan dertig jaar hakwerk en vasthoudendheid en toen het beeld uiteindelijk werd getoond aan de opdrachtgevers werd het meteen afgewezen omdat het lomp en slecht gelukt was. De andere kunstenaars produceerden het ene meesterwerk na het andere met het gemak van iemand die weet hoe het moet, terwijl Copé zich helemaal gaf aan een enkel gedrocht. Het kan niet zo zijn dat men geen sympathie voelt voor zo’n absoluut en ruïneus vertrouwen, en het lelijkste beeld van de Renaissance moet je beslist gaan zien, om Copé te compenseren voor die verschrikkelijke frustratie.

Vandaag staat die Heilige Mattheüs in de kerk van de Trinità dei Pellegrini, op Piazza de’ Pellegrini. Het is een marmeren delirium, een scheef, onvergetelijke figuur vol krullen. Naast de kerk ligt het hospice waar in 1849 de held Goffredo Mameli stierf aan zijn verwondingen, een andere kunstenaar die zijn naam heeft verbonden aan een houterig kunstwerk: maar soms tellen de inspanningen zwaarder dan het resultaat, en we houden toevallig ook van nobele mislukkingen.


Marco Lodoli 2005.

Gevonden in 2010.


zaterdag 8 juni 2013

41. De winkel van de drie Moiren (p. 45-46)


In de klassieke oudheid hing het leven aan een gesponnen draad, afgemeten en afgesneden door de drie Moiren – Klotho, Lachesis en Atropos – beschermsters van het lot van de mens. Schilderijen en bas-reliëfs geven hen weer terwijl ze zich concentreren op hun spoel en op de tijd, als goddelijke naaisters. Ik moet aan hen denken, elke keer als ik over de Via della Fontanella Borghese rijd waar deze drie dames eeuwig gericht zijn op hun naald en draad, tussen bergen kleding en textiel. Het winkeltje is herkenbaar door een bescheiden uithangbord waarop “onzichtbaar verstelwerk” staat te lezen, en het bestaat al sinds de vroege jaren ’60, en misschien ook al eerder, misschien wel altijd al.

Die dames hebben het benodigde geduld en kunstvaardigheid om welk gat of welke scheur dan ook te repareren, om die plek waar alleen leegte is weer op te vullen. In de wereld die produceert, ruïneert en wegwerpt, zijn zij de Vestalinnen van continuïteit en oplossingen. Ze maken iets onzichtbaars, ze maken dus het toppunt van pracht. Wie zijn mooie jurk heeft geruïneerd met de peuk van een sigaret of met een houten haak mag nog hopen dat alles weer wordt zoals eerst, dat als door een wonder de ramp verdwijnt, onzichtbaar wordt.

Andrea Zanzotto benadrukte dat een dichter de leegte die in de wereld bestaat moet herstellen door middel van het weven van verzen, “want in het begin was er leegte, ontkenning.” De verstelsters van de Via della Fontanella Borghese doen hetzelfde werk; gebogen naar het vaste licht van een lamp brengen ze met hun geconcentreerde blikken en vlijtige naalden een stuk stof weer in perfecte staat.

Een paar meter verderop, langs de Via del Corso en de gebouwen van de politiek duwt en trekt de wereld, schreeuwt die vanuit de etalages en banken, eist en dringt zich op, en vaak verscheuren overdreven verlangens de stof van het leven. Hier heerst echter overal kalmte, toewijding en zorg. Het is een werk zonder einde, jacks, lakens, bloezen en broeken stapelen zich op als gewonden in een veldhospitaal en er komen er steeds meer bij. De dichter probeert met woorden ver uit elkaar liggende stroken weer bij elkaar te brengen, de schade aan het leven te herstellen, en de drie dames naaien onophoudelijk. Hun werk heeft dezelfde betekenis als elke kunst, die op het hoogtepunt van zijn vermogen verdwijnt om zijn plek na te laten aan de flinterdunne gratie van perfectie.

LA RAMMENDATRICE

Vi ricordate la rammendatrice? Ebbene, quando si sfilavano le calze da donna oppure i calzini da uomo, non si gettavano come oggi, ma si rammendavano.
(Sandro Fiori) 

Hai ragione a casa mia ad esempio, dove c'era nonna tappezziera, sapevano cucire bene e ricordo mia madre che cambiava alle camice colli e polsini e quando erano consumati anche quelli di ricambio li rigirava, fino ad arrivare al punto di trasformare le maniche lunghe in corte, con la stoffa ricavata si rifaceva un nuovo collo....
SV

E' vero Sandro, al Flaminio c'era una rammendatrice che lavorava in casa e siccome abitava in un seminterrato, prendeva i lavori dalla finestra che era al livello stradale, si bussava al vetro e si consegnava. Mio fratello era un bambino piuttosto vivace e strappava tutto, anche il vestito della Comunione, così si andava spesso dalla rammendatrice. Inoltre, è vero, si portavano le calze sfilate e lei riprendeva le maglie.
GM

A proposito di RAMMEMDATRICE
Lascia l' ultima rammendatrice di Fontanella Borghese Chiude, dopo quarantuno anni, la rammendatrice di via Fontanella Borghese. Anna Maria Durastante andrà via il 31 luglio. Una scritta sulla porta a vetri del negozio avvisa i clienti. E sotto, l' invito, quasi crudele, ad affrettarsi a ritirare i vestiti in deposito. .... Rammendatrici che prendano il suo posto non ce ne sono anche se la signora Durastante le ha cercate a lungo. Nell' atmosfera quieta del suo negozio, la signora lavora come un mago della chirurgia attorniato da collaboratori. Sua sorella Lidia che rammenda le maglie e Milena che ha il compito di ritirare l' abito dalle mani del cliente e sottoporlo alla signora Durastante prima di accettarlo in consegna. Ricorreva a lei spesso Sandro Pertini «per i suoi maglioni». Mentre Aurelia Sordi le portò a riparare un mantello che Alberto indossò sul set. «Questo lavoro è stato un grande amore - dice la signora Anna Maria sorridendo - e se ci fosse una scuola lo insegnerei».
Sacchettoni Ilaria Pagina 39 (10 marzo 2003) - Corriere della Sera
GM
Marco Lodoli 2005.

Inmiddels is de winkel gesloten.

zaterdag 1 juni 2013

40. De dump (p. 44-45)


Lo smorzo, 'de dump' noemen de Romeinen die typische opslagplaatsen van bouwmaterialen die zich zo’n beetje overal langs de weg in de periferie bevinden: er is een hek van gaas, een bijna altijd openstaande poort en verder rijen van nog te monteren gashaarden, tegels van elke soort, tonnen aan bakstenen en snelbouwstenen, balken van elke lengte, een waakhond aan de ketting die continu blaft, twee of drie gammele busjes op de binnenplaats geparkeerd en een opzichter in een onderhemd die met een peuk in de mond de boel in de gaten houdt. Dit is de dump, en het zou interessant zijn om te weten waar dat woord vandaan komt. Het doet denken aan een wereld in elkaar valt, die men langzaam laat uitdoven na een grote oplaaiend vuur: maar het is een begin, een gloed, een veronderstelling van een huis en van een nieuw vuur.

Er is er bijvoorbeeld eentje onder de wijk Allessandrino, langs de Viale Palmino Togliatti, en men zou er jaren voorbij kunnen rijden zonder erop te letten, maar de menigte die zich ’s winters en ’s zomers vanaf zonsopgang daarvoor verzamelt, dwingt om zich vragen te stellen, om te reflecteren, om het te ondergaan. Die mannen zijn Roemeense, Poolse, Oekraïense bouwvakkers, en ze staan daar, onbeweeglijk, zittend op de trottoirband of rechtop op hun voeten, te wachten of er iemand komt om ze voor die dag te rekruteren, die ze verzamelt en hen brengt naar een of andere halfillegale bouwplaats of naar een appartement dat wordt verbouwd, daar waar waar mensen nodig zijn die weinig kosten en competent zijn in hun werk. Ze hebben fatsoenlijke maar trieste gezichten, ze weten dat ze niet anders kunnen doen dan wachten, ook al brandt de zon of begint het pijpenstelen te regenen. Ze zijn gekleed als Italianen uit de jaren ’50, grijze broeken, geblokte hemden, jacks gekocht in warenhuizen, spullen die ze gekocht hebben in Krakow, in Boekarest of op Piazza Vittorio. Allemaal hebben ze aan een schouderriem een tas met hun gereedschap en hun lunchtrommel bij zich. Ze roken in stilte, ze praten helemaal niet, ze wachten op werk. Eentje is twintig jaar, maar voor het grootste deel zijn het volwassen mannen, en er zijn ook wat ouderen, die misschien nooit hadden verwacht om nog langs de kant van de weg werk te zoeken. Rond één uur zijn er daar nog maar weinig, ongelukkig, verbeten, waardig. Ze dumpen hun moed niet en leren een wijze les aan wie voorbij rijdt en naar ze kijkt.
 
Marco Lodoli 2005.
 
Gevonden in 2013.

39. Roelands rotsblok (p. 43-44)


Het eiland van onze onbekende aanlegplaats lijkt een heel gewoon blok steen en daarentegen is het een van de hoekstenen van Europa. We moeten terug naar 778 n. Chr. en ons voorstellen dat de troepen van keizer Karel op de terugtocht waren naar Frankrijk na de veldtochten tegen de ongelovigen. De achterhoede valt onder het bevel van de held Roeland, en hij weet niet dat hij is verraden door de lafaard Ganelon van Mainz, en dat de dood dichtbij is. In de pas van Roncesvalles in de Pyreneeën barst de hel los: in duizenden vallen de Saracenen van koning Marsilius de Franse ridders aan, die zich naar hun beste kunnen verdedigen, maar weinig kunnen uitrichten. Roeland onthoofdt, hakt, houwt, verminkt met zijn zwaard Durendal, maar langzaam maar zeker verlaten zijn vechtkrachten hem. Hij is niet geraakt door zijn vijanden, de dood grijpt hem door pure uitputting. Roeland heeft zeker geen angst om te sterven, maar hij wil verhinderen dat zijn formidabele zwaard in de handen valt van een schurk, de riddercode vereist dat. En dus, zo vertelt het Chanson de Roland, “ Rollanz ferit en une perre bis | plus en abat que jo ne vus sai dire. | L’espée cruist, ne fruisset ne ne briset | cuntre le cel amunt est resortie: Roeland sloeg op een loodgrijze steen | en hij slaat er meer van af dan ik zou kunnen zeggen. | Het zwaard knarst, maar breekt niet, raakt niet beschadigd, | maar steekt recht omhoog naar de hemel." Op alle mogelijke manieren probeert Roeland zijn Durendal aan stukken te slaan, “hij geeft zorgvuldig honderd slagen” op die donkere steen, maar het zwaard breekt niet. De stoutmoedige Roeland, die we onverschrokken, verliefd en toch ook wel een stomkop zullen vinden in de fantastische gedichten van Boiardo en Ariosto, sterft nu in Roncesvalles, languit liggend op zijn intacte zwaard, zijn blik gericht naar de vijand.
En weten jullie waar die zo erg mishandelde kei terecht is gekomen, die voor Roeland extreme vijand van steen? Opgetild door de wind van poëzie, van illusies, van leugens, doorkruiste het als een meteoriet de hemelen van Europa en heeft het zich geboord in – het is moeilijk te geloven – een straatje dat loopt vanaf Piazza Capranica: de Vicolo della Spada di Orlando. Het rotsblok ligt daar, aan de linkerkant, en misschien herinnert het zich ook niet het schelle geluid van Olifant, de hoorn van Roeland, het gekreun van afgemaakte ridders, de harde dreunen die hij van Roeland kreeg. De steen ligt daar en niemand schenkt er aandacht aan, niemand weet dat hij de laatste smeekbede en de eerste tranen van Roeland heeft opgevangen.


Marco Lodoli 2005.


Gevonden in 2013.