zondag 15 oktober 2017

83. Een vliegende ezel (p.90-91)

Een paar regels geleden vertelde ik over die blik die vanaf een uitzichtpunt neerdaalde over de stad en die de stad verenigd in een harmonieus project toonde, als een levend organisme. Nu kantelen we onze blik, slaan we onze ogen op om iets te zoeken dat in de lucht van Rome vliegt en dreigt te verdwijnen. Zangvogels of stadsduiven, zullen jullie noemen, of de kortstondige condensstrepen van passerende vliegtuigen, of misschien de stenen engeltjes die ons beschermen vanaf de kroonlijsten van kerken. Niets van dat alles: ik wil jullie vertellen over een mooie vliegende ezel.
Hij is geschilderd op de muur van een huis bij Tor di Nona, en we zien hem al jaren wanneer we op de Lungotevere voorbij rijden. Daar is hij, met z'n grote kop een beetje gebogen over de problemen van de wereld en met twee hoopvolle vleugels die hem tot de derde verdieping laten vliegen, tussen een raam en een klein balkon in, en misschien nog wel verder omhoog, in de vrije ruimte vol avonturen in onze fantasie. 
We observeren hem aandachtig wanneer we vastgeklonken in een file staan, of we scheren er met onze ogen langs wanneer we er haastig vandoor gaan naar een of andere afspraak, en altijd maakt hij ons weer vrolijk door zijn onwaarschijnlijkheid. Alleen in de lucht van sufferds en naïevelingen bestaan vliegende ezels, maar misschien ook in de lucht van wie hoopt dat er steeds weer bijzondere dingen kunnen gebeuren, poëtische wonderen die ingaan tegen de zwaartekracht van ons bestaan.
Ons ezeltje met vleugels hangt daar sinds lange tijd, ik geloof vanaf de jaren '70, waarin men nog verward droomde van een andere wereld. Ik begrijp wel dat het artistieke erfgoed van onze stad zo uitgestrekt is dat het weinige beschikbare geld naar het restaureren van de meest hoogstaande meesterwerken gaat. Ik weet het, men moet eerst denken aan de Aureliaanse muren die afbrokkelen, aan de paleizen van patriciërs die dreigen in te storten: toch hoop ik dat de gemeente een handjevol euro's beschikbaar stelt voor deze volkse muurschildering, die regen en dagen beetje bij beetje aan het uitwissen zijn. Wij zijn gaan houden van dat vliegende ezeltje en we willen het nog lang zien vliegen, gesteund door de afwisselende stromingen van onze illusies, gevoed door de haver van onze dromen. Laten we hem weer een beetje kleur geven, en een beetje wind.


Marco Lodoli 2005.

Gevonden in 2010.


82. Piazza Socrate (p. 88-89)

Dingen van een afstandje bekijken is in Rome gelukkig niet slechts een zegswijze: hier is het altijd mogelijk om enkele momenten de horizontale vlakte van gebeurtenissen, de benauwde hoek van ons uitzicht te verlaten en een of andere heuvel te beklimmen. Het is voldoende om je blik van boven te laten glijden over het dichte patroon van straten en huizen, over de duizenden levens die zich met elkaar vervlechten als draden in een weefgetouw, om meteen een goed gevoel te krijgen. Dat wat beneden tegenstrijdig, chaotisch en verbrokkeld lijkt, blijkt van boven een uit zichzelf ontstane harmonie, en je ziel krijgt meer ruimte, verzamelt de tegenstellingen en zet ze in een bredere context. En ook ons onvolledige en onvolmaakte leven, dat ons zo vaak nutteloos lijkt, pijnlijk gescheiden van andere levens, vindt zijn plekje in een breder landschap en dat biedt het leven ruimte en geeft het zin.
We kennen allemaal de meest beroemde uitzichtpunten: de Pincio, de Gianicolo, de tuin met sinaasappelbomen, bar Lo Zodiaco. Hangend tegen de borstwering kan het gebeuren dat je schouder aan schouder staat met massa's toeristen, die zijn uitgezwermd uit touringcars, die in 5 minuten zo veel mogelijk koepels moeten herkennen, die foto's moeten schieten en moeten schreeuwen van geluk. Wij zouden liever een beetje rust willen, we willen een uitzicht helemaal voor ons alleen, stil, meditatief. Wij willen graag daarboven aanwijzen wat we daar beneden hebben achtergelaten, spanning en haast. En daarom wil ik jullie graag een rond en eenzaam pleintje aanraden dat lijkt om een afgebikte vliegende schotel die van wie weet waar hier is beland. Het bevindt zich op de flank van Monte Mario, tussen Via Platone en Via Dero, en het heet Piazza Socrate, een perfecte naam voor zo'n plek, want het laat ons bedenken dat het eren kennen van de stad een andere manier is om ons zelf te leren kennen. Er is bijna nooit iemand, hooguit twee oude vrienden die een sigaretje roken op een van de bankjes van het tuintje in het midden, of een stelletje dat elkaar kust daar waar het gaas is neergehaald en het panorama zich uitstrekt als een nieuwe ervaring. Overdag lijkt de stad zich onder onze blik te verruimen zoals kringen in het water rond een kiezelsteen; 's nachts lijkt de stad zich tegen ons aan te vleien, als een intieme en mysterieuze kamer.


Marco Lodoli 2005.

Nog niet gevonden.


81. Palazzo Federici aan de Viale XXI Aprile (p. 87-88)

Als je op een avond toevallig over de Viale XXI Aprile rijdt, doe jezelf dan 5 minuten verbazing cadeau, laat je auto, scooter, je afspraken even voor wat ze zijn en treed binnen in een van de meest verbazingwekkende gebouwen van onze stad, het zogenaamde Palazzo Federici, naar de naam van de architect die in de jaren '30 deze waanzin realiseerde. Het is slechts een woonblok, maar het lijkt een futuristisch kasteel, een decor uit Metropolis, de materialisatie van die rationalistische roes die Sant' Elia, bevriend architect van Marinetti en Boccioni, nooit voltooid heeft kunnen zien omdat de oorlog hem te vroeg heeft doen sterven. Wanneer je op de binnenplaats staat, lijk je te zijn weggezogen door een drogbeeld: van binnen lijkt alles zo onmetelijk groot, de poorten lijken elkaar eindeloos op te volgen, de kolommen van verlicht glas die de trappenhuizen omhullen rijzen omhoog als ruimtetrappen naar de donkere hemel, honderden ramen turen blind en een massa auto's staat geparkeerd als in een stilzwijgende verkeersopstopping. Het lijkt wel de maag van een gigantische walvis als weddenschap een heel dorp heeft opgeslokt en dat dorp met één enkele hik opnieuw heeft opgestapeld. Overdag is het ook een mooi gebouw om te bezoeken: het zonlicht maakt er een vrolijk bouwwerk des levens van, het is een onophoudelijk komen en gaan van drukke mensen die omhoog en naar beneden gaan, naar binnen en naar buiten lopen, er is altijd een deel dat wordt gerestaureerd en een ander dat op het punt staat in te storten; aan de grote toegangsdeuren duiken steeds weer roze of blauwe strikken op, want op deze kleine planeet wordt er altijd wel iemand geboren, en af en toe brengt een auto van een uitvaartondernemer iemand weg die net zijn verblijf hier heeft beëindigd.
Hier draaide Scola
Una Giornata Particolare, de dag dat Hitler in Rome was, de enige ochtend waarop het wooncomplex bijna helemaal leegliep omdat de bewoners de straat bestormen om de voorbijkomende Hitler toe te juichen. Alleen een ongelukkige huisvrouw en een vriendelijke homoseksueel bleven thuis, onverschillig voor alle retorica. Hun trappenhuis is nummer 6, het appartement is op de 7e etage, maar als je durft kun je verder omhoog, tot de top, om vanuit de hoogte te kijken naar dit onmetelijke universum en deze kleine stad erin, en de miniscule heuvels in de verte.

Marco Lodoli 2005.


Gevonden in 2011.


zaterdag 5 augustus 2017

80. Sant' Andrea in Flaminia (p. 86-87)

Het trammetje dat op zondag over de Via Flaminia rijdt, is beladen met supporters, jongeren die voor de ramen al luidkeels de liederen zingen die ze wederom in de Curva van het Olympisch Stadion zullen laten horen; ze groeten voorbijgangers door met hun geelrode of blauwwitte vlaggen te zwaaien, vol verwachting beleven ze al de euforie: een paar uur later brengt de tram ze terug en zijn ze nog uitgelatener door de winst, of door het verlies, altijd onterecht, altijd onverdiend. 
Waarschijnlijk merkt niemand van hen dat kleine kerkje op waar de tram langs scheert en die hij meteen weer achter zich laat, precies onder het groen van de Parioli-heuvels. Toch is de Tempietto van Sant' Andrea, werk van Vignola, een van de mooiste voorbeelden van de Romeinse Renaissance, het heeft een gratie om blikken te stelen en het hart goed te doen. Het staat daar bescheiden, discreet, voor een naamloze bar en naast een tuintje waar de honden uit de buurt worden uitgelaten om hun poten te strekken en hun hoopje te doen. Geen enkele buitenlandse of Italiaanse toerist komt het een bezoekje brengen, geen ansichtkaart stuurt zijn afbeelding gefrankeerd de wereld in. Als men een miniatuuruiting van de Renaissance wil noemen, denkt men altijd aan de Tempietto van Bramante bij San Pietro in Montorio: maar dit oratorium doet daar niet voor onder, ook al is zijn lot vergelijkbaar met dat van arme, vergeten familieleden. Het lijkt eventjes op Rubiks kubus voordat het uitmondt in zijn uiteindelijke harmonie: het is een rollende dobbelsteen, waarvan de hoekpunten wonderbaarlijk lijken te draaien, de lijnen zoeken en ontmoeten elkaar in een harmonie van poëzie en wiskunde in één. De driehoek van het fronton, het parallellepipedum van het timpanon, de ellips van de koepel, ze versterken elkaar en brengen elkaar in evenwicht alsof eindelijk de legendarische kwadratuur van een cirkel is gevonden. Een ongevoelige hand heeft zoals gewoonlijk ordinaire graffiti op de gevel achtergelaten, drie of vier kneuzingen van zwarte spray, als spetters vitriool op iemands gezicht. 
Overigens liet Paus Julius III dit prachtige tempeltje oprichten om de hemelse machten te bedanken dat hij was ontsnapt aan het gevaar van de landsknechten tijdens de Sacco di Roma in 1527, op 30 november, de dag van de heilige Andreas: maar het is overduidelijk dat niet alle landsknechten de stad hebben verlaten, sommigen zijn hier gebleven, om nog altijd schade aan schoonheid toe te brengen. 


Marco Lodoli 2005.

Gevonden in 2017.




79. De Kruisafneming van Daniele da Volterra, Trinità dei Monti (p. 85-86)

Hoe vaak lees ik het al wel niet in de kranten: een seizoen vol grote cultuurevenementen staat op het punt van beginnen, en ik begin me zorgen te maken: ik begrijp dat men in Rome de concurrentie moet aangaan met Londen, Parijs, Berlijn en New York, de culturele hoogovens die bonte rookpluimen uitstoten: baanbrekende tentoonstellingen, pompeuze concerten, kolossale overzichten en panorama's van 360 graden; ik begrijp dat de toeristenmarkt, zo gevoelig voor concurrentie en zo hardvochtig, vereist dat het aanbod steeds bombastischer moet zijn. Toch ben ik bang dat deze gigantische rookpluimen het licht en aandacht ontnemen aan de kleinste en mooiste juweeltjes die van Rome altijd zo'n speciale plek hebben gemaakt.
Wie uren en uren in de rij heeft gestaan om zich te laten uitzuigen door een megatentoonstelling, zal die daarna nog zin hebben om in zijn eentje een kerk of een klein museum binnen te lopen om een uniek schilderij te bewonderen, misschien zelfs slecht belicht en een beetje afgebladderd? Toch ligt de exceptionaliteit van Rome vaak in half-verborgen meesterwerken, in de schatkamers die men in de halfschaduw van een steegje of klooster moet zoeken en vinden. Het individu en het meesterwerk ontmoeten elkaar in stilte, bijna in het geheim, als een eerste liefdesafspraakje, zonder schijnwerpers en tromgeroffel. Daarna komt de verliefde jaren naar die plek terug, om nieuw leven te blazen in de intimiteit en dit genoegen. Elke keer bijvoorbeeld dat ik voorbij de Trinità dei Monti loop, breng ik altijd even een bezoekje aan de fantastische Kruisafneming van Daniele da Volterra, schilder uit de 16e eeuw die als grapje Braghettone, Broekenmaker, wordt genoemd, omdat hij alle naakten van Michelangelo in de Sixtijnse kapel voorzag van broekjes. Zijn Kruisafneming doet denken aan de nog beroemdere Graflegging van Rosso Fiorentino: ook hier zijn er ladders die steunen tegen het kruis en zijn er droefgeestige handwerkslieden die als acrobaten de spijkers eruit trekken en het lichaam van Christus laten zakken, terwijl de Madonna door het verscheurende moederverdriet ineen zakt op de grond. Het schilderij zal vast de voor het Italiaans Maniërisme typische vlammende en heldere kleuren hebben gehad, maar de tijd en enkele zeer slechte ingrepen hebben het gereduceerd tot een vaal geworden, afgebrokkelde pleisterkalk. Het mag wel een opknapbeurt krijgen: maar zouden er de noodzakelijke gelden voor zijn, of wordt elke cent opgeslokt door de gulzige magen van grote evenementen?


Marco Lodoli 2005.

Gevonden in 2013.


woensdag 5 juli 2017

78. Via Carlo Levi (p. 84-85)

Lezend in toeristische gidsen uit de hele wereld stuit je vroeg of laat op de zin: "Dit is een land dat barst van de tegenstellingen." Deze gemeenplaats doet je glimlachen, het klinkt als een refrein dat zo goed in het gehoor ligt dat het bijna vals lijkt: toch is het altijd absoluut waar. Als je goed kijkt, bevat zelfs de plek die het meest homogeen en eensgezind lijkt zijn tegendeel. Een klein bewijs hiervoor zou de doorgang kunnen zijn bij Laurentino 38, een wijk die het zinnebeeld is geworden van de leefbaarheid in een wereldstad. Een paar jaar geleden zijn er een hoop boompjes geplant in het midden van de Via Silone, de verkeersader die langs de enorme woonblokken loopt, maar die groene vlakjes zijn niet voldoende om uit onze geest het idee te wissen dat we zijn beland in het koninkrijk van asfalt en cement, van stadse grauwheid, van hardheid en van depressie. Qua architectuur was het ooit een vooruitstrevend project, zoals Corviale, maar ik zou niet weten hoeveel mensen nu graag in Laurentino 38 zouden willen wonen.
En terwijl we het gebruikelijke geleuter herhalen, dat de stad een verstikkend kan zijn, dat op bepaalde plekken verhoudingen tussen mensen dreigen te verdwijnen, dat kinderen van tien jaar meer injectiespuiten hebben gezien dan kippen, bevinden we ons onverwacht, als door een betovering, op het platteland. We hoefden alleen maar de Via Carlo Levi op te rijden om een sprong te maken in tijd en ruimte die ons met open mond laat staan kijken en elke gedachte op z'n kop zet: rechts en links zijn er tientallen kleine moestuintjes, verdeeld door omheiningen gemaakt van matrasspiralen en prikkeldraad, elke met z'n eigen schuurtje waar de tuinders hun gereedschap in bewaren, elk met z'n eigen trouwe straathond die blaft tegen indringers. "Welkom in de vallei van de broccoli,"zegt een oude man tegen ons. Hij tikt als groet met zijn hand tegen zijn hoofd en heeft z'n mouwen opgestroopt, deze man die lijkt te zijn weggelopen uit Quarto Stato van Pellizza da Volpedo. "Ik verbouw de stronken en ik verkoop ze op de markt, dit doe ik al 25 jaar, nergens ter wereld wordt de broccoli zo lekker als hier. Achter zijn rug is het grauwe cement zichtbaar, vanaf Colombo zwaait het naambord van Palacisalfa, waar 's nachts Britse en Amerikaanse rockbands spelen, en wij staan tussen de planten en houwelen, als elastiekjes gespannen tussen tegenstellingen.


Marco Lodoli 2005.

Nog niet gevonden.





zaterdag 6 mei 2017

77. Brandweerkazerne Frosi (p. 83-84)

Water, lucht, aarde en vuur, volgens de antieke filosofen de eerste elementen in het universum, kunnen elk moment beginnen te razen: dan zijn er weer verwoestende overstromingen, cyclonen die alles wegvagen, afschrikwekkende aardverschuivingen, helse branden. Vaak is het de hand van de mens die het fragiele evenwicht van het leven ontwricht: een trotse hand die kwetst, verbrandt, verwoest, die er plezier in heeft dood en verderf te zaaien. En zo is er ook diegene die zich haast om het op te lossen, onmiddellijk, nu, voordat alles verloren is, wanneer de vlammen brullen en de wereld in rook opgaat, wanner het gevaar het grootst is. Daarna arriveren de politici, de discussies van mensen die verontwaardigd veroordelen en hopen op een kant en klare reconstructie: maar ondertussen begeven de brandweermannen zich midden in de ramp, en zij verkopen hun huid duur om te redden wat er te redden valt. We hebben ze bewonderd tussen de puinhopen van de Twin Towers, en in Rome in de Via Ventotene, die menselijke, genereuze, sterfelijke engelen. In ons bekrompen voorstellingsvermogen hadden we ze altijd gezien als mannen die hoog aan het einde van de ladder bezig waren om een poesje of een verward meisje te redden, of die met een brandslang in de hand een vuur verderop blusten: nu weten we voor eens en altijd dat er elke dag brandweermannen voor ons creperen en dat ze zich nooit terugtrekken. Daarom leek het me terecht om een eiland te wijden aan de mooiste brandweerkazerne die er op de wereld bestaat. Hij staat tussen Via Caposile en Via Cantore, in de wijk Prati, en hij draagt de naam van Massimo Frosi, een jonge brandweerman die stierf in een helicoptercrash op de Monte Gennaro. Het is een gebouw dat is opgetrokken in de jaren '30, politiek gezien een tragische tijd, maar die wel aan de stad vele prachtige gebouwen heeft nagelaten. Kazerne Frosi is een architectonisch juweeltje, harmonieus en functioneel, het lijkt op een antiek slot maar is ook modern, met twee ronde torens en machtige muren. Zes grote rode rolluiken scheiden en verbinden de kazerne en de straat: een telefoontje, een alarm is genoeg, en in een flits gaan de rolluiken omhoog en met loeiende sirenes vertrekken de tankwagens geladen met mannen die op de vlammen en de rampen af worden gestuurd. Ze gaan en weten niet of ze terug zullen keren, of ze 's avonds een bord pasta of een medaille voor bewezen moed zullen krijgen.

Marco Lodoli, 2005.

Nog niet gevonden.



vrijdag 5 mei 2017

76. Het Tibereiland (p. 82-83)

Wanneer we dwalen door de straten, kerken en musea binnengaan, ontdekken we dat er in elke hoek een verrassing verborgen kan zijn: en ook al lijkt het op het eerste gezicht niets bijzonders te zijn, ook al is het maar een willekeurige hoek in de stad, een anonieme doorgang, het blijft de moeite waard je ogen de kost te geven. "Er is altijd iets te zien," schreef Rilke. Een bar in de periferie kan een werelddeel bevatten, een kleine bloemist kan ons dichterbij de bossen brengen, een bedelares liggend op de stoep kan ons net zoveel laten lijden als een oorlog. Misschien is er niet een plek die dieper en intenser is dan een ander: wij en de dingen die we op ons netvlies hebben en die vervolgens in onze ziel gegrift staan zijn er. "Je verveelt je, omdat je vervelend bent," zei Elsa Morante, een grootse Romeinse dame: maar als we ons open en ... opstellen, kunnen we ons elke dag verbazen, misschien wel elk moment. En dus gaan we zelfs naar eilandjes die ver weg liggen, maar vergeten we ook niet het eiland van de Romeinen dat midden in de Tiber ligt, eeuwen geleden als een vrachtschip verankerd dat klaar is om uit te varen maar nog niet vertrekt, omdat het water van de haven waar hij in ligt hem elke dag iets nieuws vertelt. Misschien is het al wel jaren geleden dat we over de loopplanken van de Ponte Fabricio en de Ponte Cestio aan boord van het Tibereiland zijn gegaan. We kunnen er de obelisk bewonderen, geplant als een meesterlijke boom op het midden van het dek, of de kerk van San Bartolomeo, of het kleine kerkje van San Giovanni Calibita, we zouden kunnen stoppen om te eten in het oude restaurant van Sora Lella of erheen gaan om een onfortuinlijke vriend in het ziekenhuis Fatebenefratelli te bezoeken. Maar het mooiste om te doen is afdalen naar de oever om een wandeling te maken over het witte basement dat rondom het hele eiland loopt, geschampt door de stroming. Nu staat het water van de rivier erg laag en kijkt het eiland gestrand in droefheid. Het is een goede plek om te gaan zitten en na te denken over alles en over niets, en toe te staan dat de wind onze sigaret verteert en onze gedachten verwart.

Marco Lodoli 2005.

Gevonden in 2010.


donderdag 4 mei 2017

75. De kwekerij aan de Appia Antica (p. 81-82)

In deze tijd regent het dodelijke bommen en granaten, en daarom gaan wij op zoek naar een plek waar het leven ontstaat en waar het groen is: een mooie kwekerij. In werkelijkheid zijn alle kwekerijen mooi, met hun rijen planten met onmogelijke namen die we uit ons hoofd willen leren en meteen weer vergeten, met zakken bemeste tuinaarde die we zelfs onder onze voeten zouden willen legen, om onze grofheid compleet te bestrijden, met die serres vol met kleuren en geuren. Maar de mooiste van alle kwekerijen bevindt zich aan de Via Appia Antica, de trotse koningin van alle wegen in de wereld, precies tegenover het Circus van Maxentius en de tombe van Cecilia Metella. Het is een plek in de stad waarvan we allemaal denken dat we die goed kennen, maar waar we eigenlijk zeer zelden komen, want het leven brengt ons elders, naar de drukte van het centrum of de wanorde van de periferie. De Appia Antica komt op ons over als een perfecte ansichtkaart, ontsnapt uit een geschiedenisboek, waar onze aanwezigheid eigenlijk niet nodig lijkt: het is een afgelegen weg, die liep, die voerde, maar die nu naar geen enkele plek meer loopt of voert. De juiste gelegenheid om er opnieuw terug te keren voor een wandeling zou een bezoek aan deze fantastische kwekerij kunnen zijn, op zoek naar een granaatappelboom, naar bamboe, naar een rode roos of een kerstboom, of naar een bijzondere bloembak tussen de duizenden uitgestalde exemplaren. Verzameld in een oude serre staan de meest waardevolle soorten vetplanten, planten in gewaagde, verwrongen en stekelige vormen van leguanen en salamanders die je nekharen overeind doen staan. We bekijken en herhalen de Latijnse namen en staan versteld van al die wonderen der natuur: de mammillaria uncinata, de matucana formosa, de rebutia albipilosa en cactussen in elke variëteit, terwijl aan de andere kant van de ramen andere Latijnse wonderen zich uitstrekken, de weelderige ruïnes van geschiedenis, het graf van Romulus, het grote circus voor de wagenraces met tweespannen, de lieflijke tombe van Cecilia. Geschiedenis en natuur flankeren de beide zijden van de Appia, bloemen en stenen stemmen de wandelaar vrolijk en peinzend. Als je nog een schop nodig hebt om in beweging te komen, dan kan ik je zeggen dat in de kwekerij een heerlijke cafeteria zit waar je ook kan lunchen. Wanneer je daar bent, krijg je zin om van werk te veranderen, om tuinman te worden of bewaker van een zuil: wat dan ook om maar in zo veel rustieke vrede te kunnen vertoeven.


Marco Lodoli 2005.

Gevonden in 2012.


maandag 1 mei 2017

74. De hondenrenbaan bij Ponte Marconi (p. 80-81)

Flamenco, Messalina, Apache, Turbo, Pamplona, Gigolò en Emiro staan klaar voor de start. De mensen beklimmen de tribunes, velen grijpen zich vast aan de rasters van de omheining om nog dichter bij de piste te zijn: en allen frommelen tussen hun vingers het bonnetje van het wedkantoor. Plotseling daalt er een stilte neer, enkel verstoord door gehoest en het vreselijke geluid van het ophalen van fluimen. Geen enkele man heeft geen brandende sigaret in z'n vingers en rookt hem niet tot het echt niet verder kan op. Het is zover. Nog één ogenblik, let op. Klaar, af!
Zeven hazewindhonden schieten naar voren uit hun boxen en rennen als bezetenen achter een mechanische haas. De vierhonderdvijftig meter worden verzwolgen door een razende race, de meute honden strekt zich uit als een klap van de noordenwind, de eerste honden nemen afstand, de andere komen er weer bij, het is een vlaag van poten en spieren, een schot aan snuiten dat is afgevuurd richting de finish.
Een paar seconden en de race is al voorbij, niemand weet precies wie heeft gewonnen en wie heeft verloren. Voor ons staat een oude man die een prop maakt van z'n weddenschap: "Speul ik 'em, kumt-ie achteraon. Speul ik 'em nie, issie eurstes. Speul ik 'em dan toch wir, leste! Da verrekte bist vreêt an menne maog!" De menigte gaat uit elkaar, iemand gaat scheldend tekeer, de weinigen die op de juiste hond hebben gewed passeren de piketpoortjes om hun geld te halen. En dan staan ze er allemaal weer met het programma in de hand om de volgende race te bestuderen.
Dit is de wereld van de hondenracebaan bij Ponte Marconi, de laatste strandpost van de gokkers. Een oord vol hartverscheurende droefgeestigheid, die daarom ook ontroert, als je er af en toe op zondag heen gaat. Je vangt er, in groepjes die ontstaan en weer uit elkaar gaan, onvergetelijke spreuken op: "Condor en Quiz, primo en secondo, pasta en biefstuk, de lunch is weer geregeld!" Of: "Met een gok op Beëlzebub vergok ik verdomme m'n eigen ziel!"
Voorafgaand aan de race paraderen de honden voor de gokkers: het zijn beesten die uit een handboek voor fantasie-zoölogie lijken te komen, fijngebouwd en spits, licht en onstuimig, nageslacht van een mustang en een vogel. Ze lopen voorbij en kijken afwezig naar wie er op hen één of duizend euro inzet: gepensioneerden met longemfyseem, zigeuners met vingers vol ringen, nieuwsgierigen, lamzakken, mannen die op het punt staan zich te ruïneren of die al geruïneerd zijn. En de nieuwe race staat al op het punt van beginnen: het duurt een moment van hoop, en in een vloek en een zucht is het voorbij.

Marco Lodoli 2005.

Nog niet gevonden.
Inmiddels niet meer als hondenrenbaan in gebruik.