donderdag 28 december 2017

86. Piazza della Madonna di Loreto (p. 93-94)

Gedenkplaten aflopen is als paddenstoelen zoeken: men moet zich in een staat van oplettende onoplettendheid bevinden, een receptieve passiviteit, wandelen en kijken, zonder pretenties, en toestaan dat de dingen zich per toeval laten vinden. En zodoende vinden we, op een schaduwrijke gevel van een palazzo in de Via Babbuino, een gedenksteen die vertelt dat Wagner er heeft overnacht, en komen we in de Via Condotti een andere tegen die het voorbijgaan van Leopardi herdenkt, en vinden we in de Via Tevere nog een andere die er trots op wijst dat precies in dit gebouw Michael Collins is geboren, een van de drie astronauten die als eersten naar de maan gingen.
Het zijn er honderden, misschien duizenden, die bordjes die aan de muren van onze stad hangen, en het is altijd weer ontroerend die namen van illustere mannen te lezen, te bedenken dat Stendhal of Goethe of Torquato Tasso precies door deze voordeur naar buiten liepen in gedachten over werken die hun fantasie vulden of alleen maar over het diner dat op hen stond te wachten.
Prachtig is het bordje dat zich bevindt aan de gevel van Albergo del Sol, ooit Locanda del Montone genoemd, waar enkele verzen van Ariosto worden vermeld:

En dus met m'n borst en m'n hoed vol
van hoop, maar ook van zachte en lelijke regen, ging ik
's avonds naar de Montone voor het avondeten.

Het is in elk opzicht gepast om eer te betonen aan de reuzen van de kunst en de geschiedenis, maar het zou mooi zijn om ook, misschien aan een bescheiden appartementencomplex in de periferie, een herinnering te lezen aan eenvoudige en eervolle mensen. Weet ik veel: "Hier leefde meneer Giovanni, een aardige man en een van de weinige goede kappers, een echte maestro met schaar en kam, die heel vele lelijke gedachten wist weg te borstelen uit het hoofd van de hele wereld." Of: "Hier woonde vijftig jaar lang mevrouw Maria, juf op een basisschool, die als een grote moederkloek met geduld en liefde duizenden leerlingen een start voor het leven gaf." Helaas rent de wereld verder en vergeet de wereld snel, en alleen aan wie belangrijk was wordt een bordje besteed, die overigens al gauw zwart worden door tijd en nalatigheid. Hoe dan ook, mijn favoriet hangt op de Piazza della Madonna di Loreto, naast het gebouw van de Assicurazioni Generali: "Hier was het huis dat diende als woning en sterfplek van de goddelijke Michelangelo." De kunstenaar is er niet meer, en het huis s er ook niet meer: maar wij zijn er, wie weet hoe lang, om onze ontroering weg te slikken.


Marco Lodoli 2005.

Gevonden in 2014.




zondag 15 oktober 2017

85. Voetbalcomplex XXV Aprile in Pietralata (p. 92-93)

Nu de lente begint, is het heerlijk om buiten te zijn in de open lucht, met een overhemd dat kreukt door de wind, fris van een nieuw begin, en met ogen die zich vullen met het leven. Het is fijn in de maartse zon te zitten op de treden van een voetbalstadion om te kijken naar de jeugd van twee teams die zich verheugen op de winst: maar het zijn niet de trappen van het Stadio Olimpico die ons verwelkomen, daar is te veel vurigheid, en wij daarentegen willen alleen maar de vlammende kleuren van onbekende tenues bewonderen, de onschuld van een gratis wedstrijd, de lol en de weemoed van een goal die op geen enkele tv wordt herhaald. We klimmen op de tribunes van gewapend beton als de wedstrijd al halverwege de eerste helft is, en gaan er weer vandoor als er nog 20 minuten te spelen zijn. We zijn daar beetje bij toeval gekomen, omdat we langs dat veld liepen en door het geschreeuw en de aanmoediging uitgenodigd werden om even te blijven hangen.
Het is heerlijk om zo een uurtje te verliezen, bijvoorbeeld bij het voetbalveld XXV Aprile in Pietralata. Het is een legendarisch veld, dat veld, de vreugde van een hele wijk waar nog een vlaag van de jaren '60 en '70 rondwaart. Hier speelde het mythische Alba Rossa, het team dat een tijdperk van Romeins amateurvoetbal vormgaf. Het was een sportief uitvloeisel van de naburige afdeling van de Communistische Partij, en ook Pasolini kwam er af en toe bewonderend het voetbal bekijken. "Het waren andere tijden toen," zei een oude activist tegen mij, "en nu is de wereld veranderd, het team is er niet meer en de wedstrijd is er ook niet meer. Hier waren we allemaal fan van Ingrao en ons mooie teampje, we waren allemaal jong en elkaars kameraden, het Huis van het Volk en de tribunes waren altijd afgeladen. Nu zijn we oud en denken we niets meer te begrijpen." De sportvereniging heet nu Suditalia en heeft teams in elke competitie, van de pupillen tot aan de volwassenen, voetballers zonder haar of haar vol gel, die misschien niets meer weten van die trotse geschiedenis. 
Toch is het altijd fijn om hier een wedstrijd te volgen, en vervolgens die niet meer te volgen, maar te kijken naar een ballon die wegvliegt richting de volkse flats, richting de dakterrasjes die versierd zijn met hetzelfde wasgoed en dezelfde tv-schotels, en die daarna neerkomt in de modderplassen van een wijk waar iemand je nog koffie wil aanbieden en vertelt oer die keer dat Pier Paolo...


Marco Lodoli 2005.

Nog niet gevonden.


84. De vriend (3): Sant' Ignazio (p. 91-92)

"Laat ons versteld staan!" roepen de ogen van de gebruikelijke vriend die voor een paar dagen in Rome is. En dus laden we ons in de auto en rijden we hem door de stad, van hier naar daar: de plekken om te bekijken zijn oneindig, overal is schoonheid, zowel tussen de zuilen van het Forum als in de steegjes van Trastevere, op pleinen uit de Renaissance en musea die volgestopt zijn met meesterwerken. Maar de passerende toerist heeft niet de noodzakelijke rust in zijn donder om zoveel schoonheid in zich op te nemen, hij is als een dorstige man die met te veel gulzigheid het water op zijn gezicht en op zijn kleren morst. Wat hij wil is dat wij hem een paar frisse teugen water brengen, iets verrassends om te vertellen aan wie thuis op hem wacht. Hij vindt het sleutelgat op de Aventijn leuk, waarvandaan de koepel van de Sint Pieter wordt omkaderd en zo een koepel dichtbij lijkt. 
En dus, als jullie je vriend een schok cadeau willen doen, breng hem dan naar de kerk van de Heilige Ignatius van Loyola. Het rococo-pleintje is op zichzelf al curieus, ontworpen door de architect Raguzzini als een klein theater: maar dat is voor onze vriend niet genoeg, hij is zonder aandacht al op te veel pleintjes geweest. En dus duwen we hem het interieur van de kerk in, ontworpen door de jezuïtische wiskundige Orazio Grassi en op het plafond van fresco's voorzien door een andere jezuïet, vader Pozzo. We houden hem tegen, alsof dat toevallig is, midden in het middenschip en we nodigen hem uit z'n ogen te richten op de koepel.
"Ja, dus?" zal hij zeggen, "Een koepel als zovele, met alle zuilen en gebogen lijnen op hun plek, met licht dat van boven valt," alsof in zijn landje in elke bar een koepel te vinden is.
Op dit moment zouden wij hem ook een klap voor z'n kop willen geven, maar we houden ons in want we willen genieten van de onthulling die te gebeuren staat. Met een por duwen we hem een beetje naar voren. "Kijk beter!" zeggen we hem, "Loop naar voren en houd je ogen gefixeerd op de koepel." En van het ene op het andere moment licht zijn gezicht op, zijn mond valt open van verbazing. "Maar er is geen koepel, het is alleen maar een beschilderd doek!" De macht van de Romeinse barok, subliem bedrog, grandioze, perspectivische gezichtsbegoocheling. De koepel bestaat niet, het is een gigantische schildering hangend op 34 meter hoogte. Onze vriend klapt in z'n handen van geluk, en wij zijn net zo blij alsof we de hele nacht hebben gewerkt ten behoeve van zijn verbazing. 


Marco Lodoli 2005.

Gevonden bij elke Romereis.


83. Een vliegende ezel (p.90-91)

Een paar regels geleden vertelde ik over die blik die vanaf een uitzichtpunt neerdaalde over de stad en die de stad verenigd in een harmonieus project toonde, als een levend organisme. Nu kantelen we onze blik, slaan we onze ogen op om iets te zoeken dat in de lucht van Rome vliegt en dreigt te verdwijnen. Zangvogels of stadsduiven, zullen jullie noemen, of de kortstondige condensstrepen van passerende vliegtuigen, of misschien de stenen engeltjes die ons beschermen vanaf de kroonlijsten van kerken. Niets van dat alles: ik wil jullie vertellen over een mooie vliegende ezel.
Hij is geschilderd op de muur van een huis bij Tor di Nona, en we zien hem al jaren wanneer we op de Lungotevere voorbij rijden. Daar is hij, met z'n grote kop een beetje gebogen over de problemen van de wereld en met twee hoopvolle vleugels die hem tot de derde verdieping laten vliegen, tussen een raam en een klein balkon in, en misschien nog wel verder omhoog, in de vrije ruimte vol avonturen in onze fantasie. 
We observeren hem aandachtig wanneer we vastgeklonken in een file staan, of we scheren er met onze ogen langs wanneer we er haastig vandoor gaan naar een of andere afspraak, en altijd maakt hij ons weer vrolijk door zijn onwaarschijnlijkheid. Alleen in de lucht van sufferds en naïevelingen bestaan vliegende ezels, maar misschien ook in de lucht van wie hoopt dat er steeds weer bijzondere dingen kunnen gebeuren, poëtische wonderen die ingaan tegen de zwaartekracht van ons bestaan.
Ons ezeltje met vleugels hangt daar sinds lange tijd, ik geloof vanaf de jaren '70, waarin men nog verward droomde van een andere wereld. Ik begrijp wel dat het artistieke erfgoed van onze stad zo uitgestrekt is dat het weinige beschikbare geld naar het restaureren van de meest hoogstaande meesterwerken gaat. Ik weet het, men moet eerst denken aan de Aureliaanse muren die afbrokkelen, aan de paleizen van patriciërs die dreigen in te storten: toch hoop ik dat de gemeente een handjevol euro's beschikbaar stelt voor deze volkse muurschildering, die regen en dagen beetje bij beetje aan het uitwissen zijn. Wij zijn gaan houden van dat vliegende ezeltje en we willen het nog lang zien vliegen, gesteund door de afwisselende stromingen van onze illusies, gevoed door de haver van onze dromen. Laten we hem weer een beetje kleur geven, en een beetje wind.


Marco Lodoli 2005.

Gevonden in 2010.


82. Piazza Socrate (p. 88-89)

Dingen van een afstandje bekijken is in Rome gelukkig niet slechts een zegswijze: hier is het altijd mogelijk om enkele momenten de horizontale vlakte van gebeurtenissen, de benauwde hoek van ons uitzicht te verlaten en een of andere heuvel te beklimmen. Het is voldoende om je blik van boven te laten glijden over het dichte patroon van straten en huizen, over de duizenden levens die zich met elkaar vervlechten als draden in een weefgetouw, om meteen een goed gevoel te krijgen. Dat wat beneden tegenstrijdig, chaotisch en verbrokkeld lijkt, blijkt van boven een uit zichzelf ontstane harmonie, en je ziel krijgt meer ruimte, verzamelt de tegenstellingen en zet ze in een bredere context. En ook ons onvolledige en onvolmaakte leven, dat ons zo vaak nutteloos lijkt, pijnlijk gescheiden van andere levens, vindt zijn plekje in een breder landschap en dat biedt het leven ruimte en geeft het zin.
We kennen allemaal de meest beroemde uitzichtpunten: de Pincio, de Gianicolo, de tuin met sinaasappelbomen, bar Lo Zodiaco. Hangend tegen de borstwering kan het gebeuren dat je schouder aan schouder staat met massa's toeristen, die zijn uitgezwermd uit touringcars, die in 5 minuten zo veel mogelijk koepels moeten herkennen, die foto's moeten schieten en moeten schreeuwen van geluk. Wij zouden liever een beetje rust willen, we willen een uitzicht helemaal voor ons alleen, stil, meditatief. Wij willen graag daarboven aanwijzen wat we daar beneden hebben achtergelaten, spanning en haast. En daarom wil ik jullie graag een rond en eenzaam pleintje aanraden dat lijkt om een afgebikte vliegende schotel die van wie weet waar hier is beland. Het bevindt zich op de flank van Monte Mario, tussen Via Platone en Via Dero, en het heet Piazza Socrate, een perfecte naam voor zo'n plek, want het laat ons bedenken dat het eren kennen van de stad een andere manier is om ons zelf te leren kennen. Er is bijna nooit iemand, hooguit twee oude vrienden die een sigaretje roken op een van de bankjes van het tuintje in het midden, of een stelletje dat elkaar kust daar waar het gaas is neergehaald en het panorama zich uitstrekt als een nieuwe ervaring. Overdag lijkt de stad zich onder onze blik te verruimen zoals kringen in het water rond een kiezelsteen; 's nachts lijkt de stad zich tegen ons aan te vleien, als een intieme en mysterieuze kamer.


Marco Lodoli 2005.

Nog niet gevonden.


81. Palazzo Federici aan de Viale XXI Aprile (p. 87-88)

Als je op een avond toevallig over de Viale XXI Aprile rijdt, doe jezelf dan 5 minuten verbazing cadeau, laat je auto, scooter, je afspraken even voor wat ze zijn en treed binnen in een van de meest verbazingwekkende gebouwen van onze stad, het zogenaamde Palazzo Federici, naar de naam van de architect die in de jaren '30 deze waanzin realiseerde. Het is slechts een woonblok, maar het lijkt een futuristisch kasteel, een decor uit Metropolis, de materialisatie van die rationalistische roes die Sant' Elia, bevriend architect van Marinetti en Boccioni, nooit voltooid heeft kunnen zien omdat de oorlog hem te vroeg heeft doen sterven. Wanneer je op de binnenplaats staat, lijk je te zijn weggezogen door een drogbeeld: van binnen lijkt alles zo onmetelijk groot, de poorten lijken elkaar eindeloos op te volgen, de kolommen van verlicht glas die de trappenhuizen omhullen rijzen omhoog als ruimtetrappen naar de donkere hemel, honderden ramen turen blind en een massa auto's staat geparkeerd als in een stilzwijgende verkeersopstopping. Het lijkt wel de maag van een gigantische walvis als weddenschap een heel dorp heeft opgeslokt en dat dorp met één enkele hik opnieuw heeft opgestapeld. Overdag is het ook een mooi gebouw om te bezoeken: het zonlicht maakt er een vrolijk bouwwerk des levens van, het is een onophoudelijk komen en gaan van drukke mensen die omhoog en naar beneden gaan, naar binnen en naar buiten lopen, er is altijd een deel dat wordt gerestaureerd en een ander dat op het punt staat in te storten; aan de grote toegangsdeuren duiken steeds weer roze of blauwe strikken op, want op deze kleine planeet wordt er altijd wel iemand geboren, en af en toe brengt een auto van een uitvaartondernemer iemand weg die net zijn verblijf hier heeft beëindigd.
Hier draaide Scola
Una Giornata Particolare, de dag dat Hitler in Rome was, de enige ochtend waarop het wooncomplex bijna helemaal leegliep omdat de bewoners de straat bestormen om de voorbijkomende Hitler toe te juichen. Alleen een ongelukkige huisvrouw en een vriendelijke homoseksueel bleven thuis, onverschillig voor alle retorica. Hun trappenhuis is nummer 6, het appartement is op de 7e etage, maar als je durft kun je verder omhoog, tot de top, om vanuit de hoogte te kijken naar dit onmetelijke universum en deze kleine stad erin, en de miniscule heuvels in de verte.

Marco Lodoli 2005.


Gevonden in 2011.


zaterdag 5 augustus 2017

80. Sant' Andrea in Flaminia (p. 86-87)

Het trammetje dat op zondag over de Via Flaminia rijdt, is beladen met supporters, jongeren die voor de ramen al luidkeels de liederen zingen die ze wederom in de Curva van het Olympisch Stadion zullen laten horen; ze groeten voorbijgangers door met hun geelrode of blauwwitte vlaggen te zwaaien, vol verwachting beleven ze al de euforie: een paar uur later brengt de tram ze terug en zijn ze nog uitgelatener door de winst, of door het verlies, altijd onterecht, altijd onverdiend. 
Waarschijnlijk merkt niemand van hen dat kleine kerkje op waar de tram langs scheert en die hij meteen weer achter zich laat, precies onder het groen van de Parioli-heuvels. Toch is de Tempietto van Sant' Andrea, werk van Vignola, een van de mooiste voorbeelden van de Romeinse Renaissance, het heeft een gratie om blikken te stelen en het hart goed te doen. Het staat daar bescheiden, discreet, voor een naamloze bar en naast een tuintje waar de honden uit de buurt worden uitgelaten om hun poten te strekken en hun hoopje te doen. Geen enkele buitenlandse of Italiaanse toerist komt het een bezoekje brengen, geen ansichtkaart stuurt zijn afbeelding gefrankeerd de wereld in. Als men een miniatuuruiting van de Renaissance wil noemen, denkt men altijd aan de Tempietto van Bramante bij San Pietro in Montorio: maar dit oratorium doet daar niet voor onder, ook al is zijn lot vergelijkbaar met dat van arme, vergeten familieleden. Het lijkt eventjes op Rubiks kubus voordat het uitmondt in zijn uiteindelijke harmonie: het is een rollende dobbelsteen, waarvan de hoekpunten wonderbaarlijk lijken te draaien, de lijnen zoeken en ontmoeten elkaar in een harmonie van poëzie en wiskunde in één. De driehoek van het fronton, het parallellepipedum van het timpanon, de ellips van de koepel, ze versterken elkaar en brengen elkaar in evenwicht alsof eindelijk de legendarische kwadratuur van een cirkel is gevonden. Een ongevoelige hand heeft zoals gewoonlijk ordinaire graffiti op de gevel achtergelaten, drie of vier kneuzingen van zwarte spray, als spetters vitriool op iemands gezicht. 
Overigens liet Paus Julius III dit prachtige tempeltje oprichten om de hemelse machten te bedanken dat hij was ontsnapt aan het gevaar van de landsknechten tijdens de Sacco di Roma in 1527, op 30 november, de dag van de heilige Andreas: maar het is overduidelijk dat niet alle landsknechten de stad hebben verlaten, sommigen zijn hier gebleven, om nog altijd schade aan schoonheid toe te brengen. 


Marco Lodoli 2005.

Gevonden in 2017.




79. De Kruisafneming van Daniele da Volterra, Trinità dei Monti (p. 85-86)

Hoe vaak lees ik het al wel niet in de kranten: een seizoen vol grote cultuurevenementen staat op het punt van beginnen, en ik begin me zorgen te maken: ik begrijp dat men in Rome de concurrentie moet aangaan met Londen, Parijs, Berlijn en New York, de culturele hoogovens die bonte rookpluimen uitstoten: baanbrekende tentoonstellingen, pompeuze concerten, kolossale overzichten en panorama's van 360 graden; ik begrijp dat de toeristenmarkt, zo gevoelig voor concurrentie en zo hardvochtig, vereist dat het aanbod steeds bombastischer moet zijn. Toch ben ik bang dat deze gigantische rookpluimen het licht en aandacht ontnemen aan de kleinste en mooiste juweeltjes die van Rome altijd zo'n speciale plek hebben gemaakt.
Wie uren en uren in de rij heeft gestaan om zich te laten uitzuigen door een megatentoonstelling, zal die daarna nog zin hebben om in zijn eentje een kerk of een klein museum binnen te lopen om een uniek schilderij te bewonderen, misschien zelfs slecht belicht en een beetje afgebladderd? Toch ligt de exceptionaliteit van Rome vaak in half-verborgen meesterwerken, in de schatkamers die men in de halfschaduw van een steegje of klooster moet zoeken en vinden. Het individu en het meesterwerk ontmoeten elkaar in stilte, bijna in het geheim, als een eerste liefdesafspraakje, zonder schijnwerpers en tromgeroffel. Daarna komt de verliefde jaren naar die plek terug, om nieuw leven te blazen in de intimiteit en dit genoegen. Elke keer bijvoorbeeld dat ik voorbij de Trinità dei Monti loop, breng ik altijd even een bezoekje aan de fantastische Kruisafneming van Daniele da Volterra, schilder uit de 16e eeuw die als grapje Braghettone, Broekenmaker, wordt genoemd, omdat hij alle naakten van Michelangelo in de Sixtijnse kapel voorzag van broekjes. Zijn Kruisafneming doet denken aan de nog beroemdere Graflegging van Rosso Fiorentino: ook hier zijn er ladders die steunen tegen het kruis en zijn er droefgeestige handwerkslieden die als acrobaten de spijkers eruit trekken en het lichaam van Christus laten zakken, terwijl de Madonna door het verscheurende moederverdriet ineen zakt op de grond. Het schilderij zal vast de voor het Italiaans Maniërisme typische vlammende en heldere kleuren hebben gehad, maar de tijd en enkele zeer slechte ingrepen hebben het gereduceerd tot een vaal geworden, afgebrokkelde pleisterkalk. Het mag wel een opknapbeurt krijgen: maar zouden er de noodzakelijke gelden voor zijn, of wordt elke cent opgeslokt door de gulzige magen van grote evenementen?


Marco Lodoli 2005.

Gevonden in 2013.


woensdag 5 juli 2017

78. Via Carlo Levi (p. 84-85)

Lezend in toeristische gidsen uit de hele wereld stuit je vroeg of laat op de zin: "Dit is een land dat barst van de tegenstellingen." Deze gemeenplaats doet je glimlachen, het klinkt als een refrein dat zo goed in het gehoor ligt dat het bijna vals lijkt: toch is het altijd absoluut waar. Als je goed kijkt, bevat zelfs de plek die het meest homogeen en eensgezind lijkt zijn tegendeel. Een klein bewijs hiervoor zou de doorgang kunnen zijn bij Laurentino 38, een wijk die het zinnebeeld is geworden van de leefbaarheid in een wereldstad. Een paar jaar geleden zijn er een hoop boompjes geplant in het midden van de Via Silone, de verkeersader die langs de enorme woonblokken loopt, maar die groene vlakjes zijn niet voldoende om uit onze geest het idee te wissen dat we zijn beland in het koninkrijk van asfalt en cement, van stadse grauwheid, van hardheid en van depressie. Qua architectuur was het ooit een vooruitstrevend project, zoals Corviale, maar ik zou niet weten hoeveel mensen nu graag in Laurentino 38 zouden willen wonen.
En terwijl we het gebruikelijke geleuter herhalen, dat de stad een verstikkend kan zijn, dat op bepaalde plekken verhoudingen tussen mensen dreigen te verdwijnen, dat kinderen van tien jaar meer injectiespuiten hebben gezien dan kippen, bevinden we ons onverwacht, als door een betovering, op het platteland. We hoefden alleen maar de Via Carlo Levi op te rijden om een sprong te maken in tijd en ruimte die ons met open mond laat staan kijken en elke gedachte op z'n kop zet: rechts en links zijn er tientallen kleine moestuintjes, verdeeld door omheiningen gemaakt van matrasspiralen en prikkeldraad, elke met z'n eigen schuurtje waar de tuinders hun gereedschap in bewaren, elk met z'n eigen trouwe straathond die blaft tegen indringers. "Welkom in de vallei van de broccoli,"zegt een oude man tegen ons. Hij tikt als groet met zijn hand tegen zijn hoofd en heeft z'n mouwen opgestroopt, deze man die lijkt te zijn weggelopen uit Quarto Stato van Pellizza da Volpedo. "Ik verbouw de stronken en ik verkoop ze op de markt, dit doe ik al 25 jaar, nergens ter wereld wordt de broccoli zo lekker als hier. Achter zijn rug is het grauwe cement zichtbaar, vanaf Colombo zwaait het naambord van Palacisalfa, waar 's nachts Britse en Amerikaanse rockbands spelen, en wij staan tussen de planten en houwelen, als elastiekjes gespannen tussen tegenstellingen.


Marco Lodoli 2005.

Nog niet gevonden.





zaterdag 6 mei 2017

77. Brandweerkazerne Frosi (p. 83-84)

Water, lucht, aarde en vuur, volgens de antieke filosofen de eerste elementen in het universum, kunnen elk moment beginnen te razen: dan zijn er weer verwoestende overstromingen, cyclonen die alles wegvagen, afschrikwekkende aardverschuivingen, helse branden. Vaak is het de hand van de mens die het fragiele evenwicht van het leven ontwricht: een trotse hand die kwetst, verbrandt, verwoest, die er plezier in heeft dood en verderf te zaaien. En zo is er ook diegene die zich haast om het op te lossen, onmiddellijk, nu, voordat alles verloren is, wanneer de vlammen brullen en de wereld in rook opgaat, wanner het gevaar het grootst is. Daarna arriveren de politici, de discussies van mensen die verontwaardigd veroordelen en hopen op een kant en klare reconstructie: maar ondertussen begeven de brandweermannen zich midden in de ramp, en zij verkopen hun huid duur om te redden wat er te redden valt. We hebben ze bewonderd tussen de puinhopen van de Twin Towers, en in Rome in de Via Ventotene, die menselijke, genereuze, sterfelijke engelen. In ons bekrompen voorstellingsvermogen hadden we ze altijd gezien als mannen die hoog aan het einde van de ladder bezig waren om een poesje of een verward meisje te redden, of die met een brandslang in de hand een vuur verderop blusten: nu weten we voor eens en altijd dat er elke dag brandweermannen voor ons creperen en dat ze zich nooit terugtrekken. Daarom leek het me terecht om een eiland te wijden aan de mooiste brandweerkazerne die er op de wereld bestaat. Hij staat tussen Via Caposile en Via Cantore, in de wijk Prati, en hij draagt de naam van Massimo Frosi, een jonge brandweerman die stierf in een helicoptercrash op de Monte Gennaro. Het is een gebouw dat is opgetrokken in de jaren '30, politiek gezien een tragische tijd, maar die wel aan de stad vele prachtige gebouwen heeft nagelaten. Kazerne Frosi is een architectonisch juweeltje, harmonieus en functioneel, het lijkt op een antiek slot maar is ook modern, met twee ronde torens en machtige muren. Zes grote rode rolluiken scheiden en verbinden de kazerne en de straat: een telefoontje, een alarm is genoeg, en in een flits gaan de rolluiken omhoog en met loeiende sirenes vertrekken de tankwagens geladen met mannen die op de vlammen en de rampen af worden gestuurd. Ze gaan en weten niet of ze terug zullen keren, of ze 's avonds een bord pasta of een medaille voor bewezen moed zullen krijgen.

Marco Lodoli, 2005.

Nog niet gevonden.